
9 – 11 oktober 2008
Wat is rechtvaardigheid?
In de omgang met Koreanen valt ons op dat er in hun gedrag en opvattingen codes verborgen liggen die voor ons westerlingen niet direct zichtbaar zijn.
Zo merkten we na enkele dagen op dat er een sterke hiërarchie is tussen mensen. Leeftijd speelt hierin een belangrijke rol.
Op de camping met Che Ho, die van onze leeftijd was, kwamen na enkele dagen vier jonge jongens een dagje kamperen. Toen ze Che Ho niet uit zichzelf groetten, ging hij op ze af om hen te wijzen op hun 'plicht'. Een jonger iemand moet een oudere eerst groeten, daarna zal de oudere teruggroeten. Hetzelfde geldt voor eten: de oudste begint, pas dan mag de rest zijn eerste hap nemen. Kinderen zijn in Korea extreem fatsoenlijk en gehoorzaam.
Tussen de Koreaanse wereldfietsers heerste een soortgelijke hierarchie. Echter, niet alleen leeftijd speelt hierin een rol, ook de prestaties die iemand geleverd heeft kunnen zijn aanzien doen stijgen. Zo had Wooki een sterke positie, omdat hij in het zware, ontoegankelijke Tibet heeft gefietst. Want prestaties, zowel op school, in werk als fysiek, zijn in de Koreaanse cultuur van levensbelang om "het te maken."
Hoewel het grootste deel van de Koreaanse bevolking zich bekeerd heeft tot het Christelijke geloof (zoals Paul en Elizabeth), zijn er ook veel Boeddhisten op het schiereiland. De kerken staan in elke stad of plaats prominent te pronken met een groot kruis op het dak, de boeddhistische tempels moeten we over het algemeen ver zoeken. Deze zijn overwegend op stille, afgelegen plekken geplaatst in de bergen.




Het diepst geworteld in de aard van de Koreanen zijn echter de beginselen van het Confucianisme, dat zijn oorsprong heeft in China. Confucius was een leermeester en politiek adviseur die leefde rond de 5e eeuw voor Christus. De sterke normen en waarden die we in de omgang met Koreanen ervaren, stammen vooral uit deze filosofie.
De zes basiswaarden van het Confucianisme zijn menselijkheid, kinderlijke gehoorzaamheid, rechtvaardigheid, fatsoen, trouw en wederkerigheid. De omgang tussen mensen, tussen ouders en kinderen, maar ook tussen de overheid en haar burgers, zijn vanuit deze basiswaarden vastgelegd. Iedereen heeft zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. Burgers moeten de wetten van het land naleven, en de overheid heeft als plicht stabiliteit en voorspoed te garanderen.
De gastvrijheid die we van veel Koreanen ontvangen komt ongetwijfeld voort uit de beginselen van deze filosofie. De Koreanen noemen deze vorm van barmhartigheid "cheong", een begrip dat voor hen onvertaalbaar is naar het Engels.
Het principe van rechtvaardigheid en wederkerigheid heeft bij de bevolking een krachtige uitwerking. Che Ho vertelde ons dat de huidige president de afgelopen jaren een aantal impopulaire maatregelen heeft genomen, die zijn positie in gevaar kunnen brengen. Het volk kan zich ieder moment tegen hem keren, en dat houdt in dat men het gerechtvaardigd vindt hem af te zetten of zelfs om te brengen. Ook dat is de Koreaanse democratie: neemt een leider foute beslissingen, dan moet hij voor zijn leven vrezen.
De strenge beginselen van het Confucianisme, met name fatsoen en trouw, zorgen er aan de andere kant voor dat mensen zich in een keurslijf geperst voelen, en niet helemaal zichzelf kunnen zijn. Al te “levenslustige” Koreanen zijn als smeulende vulkanen die op uitbarsten staan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een excessief aantal verkrachtingen en buitenechtelijke kinderen zijn in dit land. En in elke plaats zien we de zogenaamde love-hotels, meestal in de vorm van een oerlelijk kasteeltje, waar mensen ongestoord en ongezien hun lusten kunnen botvieren.



Tussen al deze barmhartigheid, liefdesnestjes en rechtvaardigheid in fietsen wij gewoon naar het zuidwestelijke deel van Zuid-Korea. We hebben besloten om het zuidoostelijke deel van het land, met zijn industrie en drukte, te laten voor wat het is. De laatste weken voor we naar Japan varen gaan we doorbrengen op het machtig mooie eiland Cheju (ook: Jeju), dat ongeveer honderd kilometer ten zuiden van het vasteland ligt in de Gele Zee.


De route is vervelend. Twee dagen lang zijn we verplicht om op de grote weg te fietsen, nummer 2. Deze weg is relatief druk, hij voert door de grote stad Gwangyang en haar industrieterreinen, en diep van binnen borrelt er een onaangenaam gevoel in me. In de laatste dagen in Sangju ontvingen we enkele e-mails waarin vrienden in Nederland hun zorgen uitten over de kredietcrisis die wereldwijd schijnt te heersen; vooral banken en spaartegoeden lijden onder de neergang. We weten er weinig van, maar uit de toonzetting maken we op dat het deze keer ernst lijkt te zijn. En als het ernstig genoeg is, zou het mogelijk zijn dat ook wij daar grote hinder van gaan ondervinden. Ik wil er niet aan denken, maar het floept als een klein aambeitje steeds terug op een plek waar het niet hoort.
De weg loopt om de stad Suncheon heen, wat jammer is, want daar wilden we boodschappen doen voor de avond. Een volgend dorp met een klein winkeltje biedt uitkomst.
Het is koud aan het worden en de wind neemt toe. We vinden een plekje voor de tent bij een grafmonument dat gewijd is aan Generaal Choi Dae-seong en zijn twee zonen, die niet wilden capituleren voor de Japanners en daarom een kopje kleiner werden gemaakt. Niet rechtvaardig, maar wat is dat wel in tijden van oorlog?
Rechtvaardig is in ieder geval dat we naast de tempelmuur op een vlak stukje gras mogen staan, met een prieeltje en banken erbij.

Bij het wakker worden zijn we beiden slecht gestemd, alsof er een zware onweerswolk boven onze hoofden dreigt. We willen aan het onzekere gevoel over de gevolgen van de wereldwijde crisis een einde maken, en fietsen naar de eerstvolgende plaats: Jangheung. Gezamenlijk gaan we een internetcafe in om de stand van de aandelen te controleren.
En schrikken ons te pletter. Ontsteld zien we dat vrijwel alle fondsen waar we zes jaar geleden in hebben geinvesteerd tot de helft van hun waarde zijn gekelderd. Ons pensioen, waar we al die jaren hard voor hebben gewerkt en gespaard, is verdampt.
Verslagen zitten we even later bij te komen in het park van de stad. De zon schijnt, maar geeft geen enkele warmte. We staren voor ons uit. De wereld ziet er grauw en grijs uit.
Het is afgelopen.
We voelen ons bedrogen; in de afgelopen vijftig jaar zijn de beurzen, met af en toe een dip, gestaag omhoog gegaan. En nu? Een halvering van de waarde binnen een week tijd, en het tij is nog niet gekeerd. Dit is niet rechtvaardig.
Het is afgelopen.
We hoeven niet lang te beraadslagen om tot de conclusie te komen dat we terug moeten naar Nederland. Terug naar ons vroegere leven: wonen, hard werken, en sparen. Sparen voor een nieuwe reis, want ook daar zijn we het onmiddellijk over eens: we gaan door, we zijn nog niet klaar, we willen met heel ons hart ook de rest van de wereld verkennen op de fiets.
We stappen op de fiets.
Een donkere wolk kruipt voor de zon, en een vlaag koude wind beneemt me de adem.
Dat is rechtvaardigheid.
