Op zaterdag 3 december begint onze eerste werkweek in de Emiraten. Het is heerlijk weer, met 29 graden en een lekker zonnetje. We fietsen eerst naar het kantoor van 7Days, het dagblad dat we twee dagen geleden een interview gaven, maar weten geen exemplaar van het over ons gepubliceerde artikel te bemachtigen. Van het emiraat Dubai fietsen we al snel het emiraat Sharjah in, op weg naar het noorden. Zijn de meeste emiraten vrij liberaal in de culturele restricties van de islam, Sharjah is dat niet. De kledingvoorschriften zijn streng en alcohol is volledig en voor iedereen taboe, nadat de zoon van de sjeik van Sharjah zich enkele jaren geleden doodreed na een avondje ‘op westerse wijze’stappen.
De uitstekende kaart die we hebben van de Emiraten kan de duizelingwekkende ontwikkelingen niet bijhouden: daar waar niets dan woestijn zou moeten zijn staan huizen, winkels en nieuwe dorpen en worden in een razend tempo industrieterreinen gebouwd. Tussen oude en nieuwe dorpen door vangen we glimpen op van het traditionele leven, waar vissers in kleine bootjes de zee op gaan, kamelen door het mulle zand sjokken en grijzende mannen op aangeven van de muezzin naar de moskee sloffen voor een van de dagelijkse gebedsrondes.
Bij tankstations en moskeeën tappen we water uit de waterzuiveringsapparaten die gratis gekoeld water leveren. Een van de grootste pluspunten van het fietsen in dit land.
Net als in Dubai vinden we overal langs de weg hardplastic telefoonkaarten met prachtige afbeeldingen. We bewaren ze allemaal voor mijn vader die er verzamelaar van is. Het zoeken is een leuk tijdverdrijf en een aardige afleiding, ware het niet dat er zoveel zijn en dat de Arabieren zo slordig met hun vuil omgaan, dat we nooit in een lekker ritme komen. Altijd ligt er wel ergens een mooie, onbekende kaart die we toch niet kunnen laten liggen. De stapel in mijn stuurtas groeit gestaag en wordt zwaarder en zwaarder.
Naast telefoonkaarten ontwaren we Indian Rollers (familie van de ‘Lilac-breasted Roller’) en kleine groene ‘Bee-eaters’, een onverwachte toegift na het vogelrijke Afrika.
In het derde emiraat Umm Al Quwain zetten we de tent op het strand en worden al snel bezocht door de plaatselijke politie. Zij vinden het prachtig wat we doen en verdwijnen net zo snel als ze gekomen zijn. Tijdens een korte wandeling vinden we vreemde gele bloemen die op de vloedlijn van het strand als glasachtige gladiolen uit het zilte zand de hemel in prijken. Wie wil hier nu groeien?
Ongestoord door muezzins maken we een lange nacht van ruim tien uur.
Zoals in veel landen worden we ook in de Emiraten luidruchtig begeleid door claxonnerende auto’s en vrachtwagens, opgestoken duimen, applaudisserende handen en klikkende camera’s en mobieltjes. Een enkele maal worden we gestopt door een automobilist die zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen.
Even na Ras Al Khaimah doemen de droge woestijnbergen van de Rus Al Jibal voor ons op, maar de route blijft vlak zolang de weg langs de Perzische Golf loopt. Na 77 kilometer bereiken we de grens met Oman, dat wil zeggen met de Omaanse enclave in de noordpunt van de Emiraten. Ons plan is om hier Oman in te fietsen tot aan de Straat van Hormuz, om vervolgens over een onverhard pad door het gebergte van Rus Al Jibal terug naar het zuiden te rijden, naar de oostkust van de Emiraten. Een naar het schijnt landschappelijk prachtige route die met de fiets goed te doen is, zo werd ons in Dubai verteld.
De exitstempel bij de Emiraatse douane blijkt twintig dirham per persoon te kosten. Door niemandsland en langs grote bouwputten met veel vers beton fietsen we naar de immigratie van Oman. De vriendelijke ambtenaar kijkt ons glimlachend en tegelijk enigszins verontrust aan. En daar is de onvermijdelijke vraag waar de reis heen gaat op die twee bepakte fietsen. Trouw doen we ons verhaal en ratelen we de geplande route af, terwijl de beambte onze paspoortgegevens in de computer tikt.
“Maar dat kan niet,’ zegt hij ineens wanneer we zeggen dat we bij Dibba zijn land weer zullen verlaten. Wat nou kan niet, natuurlijk wel. Waarom dan niet? “Omdat daar geen grenspost is. Bovendien is de onverharde weg door de bergen zeer slecht en alleen met een stevige fourwheeldrive te doen, er zijn geen dorpjes in de bergen, er is geen water en jullie zullen dezelfde weg terug moeten naar deze grenspost.“
We zijn verbijsterd. Dit is in tegenspraak met alle informatie die we in Dubai hebben verkregen. Maar ook zijn collega is doodserieus en noodgedwongen besluiten we ons visumverzoek in te trekken en dan maar terug te gaan de Emiraten in.
“Dat kan ook niet, want de stempel zit al in jullie paspoort. Jullie zullen eerst de visumkosten voor Oman van 120 dirham moeten betalen en dan gelijk weer uitstempelen, anders kun je de Emiraten niet in, je hebt nu eenmaal een exitstempel nodig.”
Ook de 120 dirham klopt niet met onze informatie, nota bene van de website van de Omaanse overheid, waarin staat vermeld dat het visum voor Oman gratis is wanneer je al in het bezit bent van een visum voor de Emiraten. Een enorme strop dreigt: 40 + 120 dirham uitgeven (bijna 40 euro) voor helemaal niets. Karin fietst terug naar de grenspost van de Emiraten om te informeren of we met een cancelstempel van Oman in plaats van de normale exitstempel hun land weer in mogen. Ik slaak een zucht van verlichting wanneer ze even later met een vrolijk gezicht terugkeert. Geen probleem, zegt ze.
De Omaanse douanebeambte zet een cancelstempel in ons paspoort en met de 120 dirham nog altijd op zak fietsen we gerustgesteld terug naar de grens van de Emiraten om daar een nieuw toegangsvisum te kopen. De medewerker die Karin zojuist nog heeft gesproken en die vertelde dat de cancelstempel voldoende was, doet ons bloed koken wanneer blijkt dat hij er niets van heeft begrepen.
Zonder excuus of nadere uitleg wil hij ons terugsturen naar de Omaanse grenspost om een exitstempel te halen, waarvoor we dan alsnog de 120 dirham zullen moeten neerleggen. We vragen om zijn baas, die volhoudt dat dit helaas nu eenmaal de regels zijn.
“Al moet ik hier de hele nacht blijven zitten, aan deze ambtelijke regelneukerij en toeristenpesterij doe ik niet mee,” zeg ik kwaad tegen Karin.
Uit einde raad lopen we naar de andere kant van de weg, waar we een uur eerder een leuk gesprek hadden met de beambte die ons de exitstempel van de Emiraten gaf. Ik leg de situatie uit, maar hoef niet veel te zeggen want ze weten al wat er zich afspeelt. De mobieltjes zijn nog warm.
Moedeloos staan we voor het kantoortje in de brandende zon en luisteren met een half oor naar de felle discussie die er in rap Arabisch wordt gevoerd. Na tien minuten kijkt de beambte me aan en zegt: “Go back to the entry-office at the other side, they will let you in.”
Een half uur later zitten we bij de tent aan het strand. In de Emiraten wel te verstaan. Koppigheid en vastberadenheid hebben gewonnen, en ach: 40 dirham was dit hele theater achteraf wel waard.