|
Vrijdag de dertiende Op 11 september 2004 beginnen we aan de doorsteek van het Turkse vasteland van noord naar zuid. Even voorbij Inegöl verlaten we de veel te grote E90 en rijden we de 595 op richting Middellandse Zee. Dit is een veel smallere en dus rustige weg, maar wel een die niet kinderachtig om de bergen heen loopt. De Turkse wegenbouwers kiezen liefst de kortste weg omhoog en sparen daarmee asfalt uit. Het is warm, gelukkig staan er op diverse plekken stenen zuiltjes met een waterkraantje. Na een korte pauze vervolgen we de lange klim, wanneer Karin een schreeuw geeft. Ze staat stil en kijkt naar haar achterwiel. Haar sport-bh, die achterop haar fiets te drogen lag, is losgetrild en heeft zich tussen ketting en tandwielen gewurmd. Het wiel zit muurvast. Na tien minuten pielen, trekken, worstelen en handenwassen moeten we afscheid nemen van het volledig vernielde kledingstuk. Maar de tandwielen zijn lekker schoon.
Het weinige verkeer houdt geweldig rekening met ons door met een grote boog om ons heen te rijden. Bij het passeren wordt er steevast vrolijk gezwaaid en getoeterd. In de afdaling naar Domanic verbreken we onze snelheidsrecords met ruim 80 kilometer per uur. Wanneer we aan het eind van de middag een plekje voor de nacht zoeken, duiken we een bos in over een onverhard pad. Het is niet gemakkelijk een mooi vlak plekje voor de tent te vinden. Een flinke boomwortel op het pad wordt Karin fataal: haar voorwiel schuift weg en met een fraaie koprol over haar stuur landt ze naast me. "Wordt het deze plek?" vraag ik haar voorzichtig. Ze kijkt me vernietigend aan, pakt haar fiets op en loopt verder het bos in. Een half uurtje later zitten we voor de tent op een open plek in het bos en kijken uit over het dal. Als de schaafwonden en blauwe plekken zijn verzorgd en we onze buikjes vol hebben, is alle pijn en leed vergeten. De volgende dag ben ik aan de beurt. In de omgeving van Tuncbilek zijn dagmijnen. We fietsen tussen vrachtwagens met steenkool, kolencentrales, opslagterreinen en donkere stofwolken. Een scherp stofdeeltje dringt in mijn oog. Het doet pijn en ik kan mijn oog niet meer openhouden. We gieten er water in, Karin tracht het te vinden en eruit te peuren maar de indringer laat zich niet zien. In het dorp is zowaar een hospitaaltje, waar we door een stel hulpvaardige Turken naar toe gedirigeerd worden. Na twee glazen thee ontfermt een arts zich over mijn oog, maar ook hij kan de lastpost niet vinden. Hij trommelt een verpleegster op die antibiotische druppels moet halen. Even later staan er vijf giechelende zusters om me heen terwijl de arts mijn oog bedruppelt. Erg interessant, een blonde man We mogen niet betalen en hartelijk zwaaiend rijden we even later de straat uit. Het stofdeeltje zit nog in mijn oog, maar volgens de dokter zal het vanzelf verdwijnen. Dezelfde avond krijgt de dokter gelijk en zie ik alles weer.
En dan is het vrijdag de dertiende. Wat zal
dat worden? We kunnen vanwege deze levensgevaarlijke datum beslissen
de dag veilig in de tent door te brengen en dan morgen weer verder rijden.
Maar we besluiten anders: we gaan gewoon lekker fietsen en zien wel
wat er op ons pad komt.
Wanneer de tent is gezet zien we verderop een
dorpeling staan die ons vanachter een boom beloert. Het is natuurlijk
een hele belevenis twee van die Hollanders op een fiets. Dan stuurt
hij wat kleine jongetjes op ons af met vier appels, drie meloenen en
een zonnebloem voor de pitten. Vervolgens druipen ze allemaal af. We
nemen ze dankbaar aan en beginnen ons enigszins zorgen te maken hoe
we morgen alles mee moeten nemen.
Noodgedwongen maken we een flinke pan tomatensoep. Juist wanneer we hier klaar mee zijn en een eerste hapje proeven, komt er iemand uit het dorp in een vrachtwagen om ons acht flinke tomaten te brengen. Hè, hè, eindelijk. Wat een rotdag zeg, vrijdag de dertiende.
|