Sultan Peter & Prinses Karin

Mersin heeft iets weg van Istanbul. Bij het binnenrijden van deze stad zien we dezelfde sitesi's (zomerappartementen) links en rechts van de weg als we in de voorsteden van Istanbul zagen. De appartementenblokken hebben ook hier een naam en zijn genummerd: Flamengo 1 t/m 8. Behalve flats wordt de stad ontsierd door stoplichten, slecht wegdek en de voor fietsers levensgevaarlijke dolmussen. Deze minibusjes wijken voortdurend onverwachts naar rechts om iemand op te pikken of af te zetten. Dat ze daarbij rekening zouden moeten houden met ons fietsers, komt bij geen enkele chauffeur op. Telkens wanneer ze iemand oppikken en wij hen juist links passeren besluiten ze weer op te trekken en scherp naar links sturend de weg op te gaan. Buitenspiegels hebben ze eigenlijk niet nodig en kunnen van de busjes worden gesloopt. Ook de nekwervels, een prachtige uitvinding waardoor je je hoofd kunt draaien, worden niet gebruikt en kunnen gewoon verwijderd worden.
Op onze hoede en met de handen aan de remmen rijden we op afstand langs de dodelijke botsautootjes. Levend en vol adrenaline bereiken we het gezellige centrum, waar we voor een redelijke prijs onze intrek nemen in Hotel Hitit. Mersin heeft een aardige binnenstad met een markt en heerlijke winkeltjes vol vuchtensappen, nootjes, lokum, koek en andere Turkse delicatessen. Buiten het centrum is de stad geen bezoek waard.

Dat een land als Turkije niet alleen uit fraaie landschappen en ongerepte natuur bestaat, blijkt uit de etappes die we vanuit Mersin afleggen in de richting van Syrië. We passeren fabrieken, brandende tankstations en worden gepasseerd door vervuilende auto's en dieselwolken brakende vrachtwagens. Aan het eind van de eerste dag hebben we zelfs last van onze longen door de laaghangende smog. We hebben nog meer pijntjes: Karin heeft last van krampen rechtsonder haar ribbenkast en bij mij heeft zich plots een aambei ontwikkeld.

moskee

In Adana worden we verblind door een fantastisch mooie en buitengewoon grote moskee. Deze blijkt pas vier jaar oud te zijn en is gefinancierd door Sabanci, een stinkendrijke zakenman uit de stad. Elke Moslim kan zich een plaatsje in de Islamitische hemel verwerven door een moskee te laten bouwen. Dan moet je wel geld hebben natuurlijk. De heer Sabanci had zoveel geld, en was volgens ons zo bang voor de hel, dat hij de op een na grootste moskee ter wereld liet bouwen. De grootste staat natuurlijk in Mekka; een grotere moskee dan die van Mekka mag je niet bouwen. Ook het aantal minaretten dat een moskee mag hebben is gelimiteerd: meer dan zeven mag je er niet plaatsen, want de moskee van Mekka heeft er acht. Men heeft er tien jaar over gedaan om de moskee van Adana te bouwen; er kunnen 28.000 mensen in, meer dan in menig voetbalstadion ter wereld.
We fietsen dezelfde route als de kruisvaarders in de 11e, 12e en 13e eeuw namen om de Islam te beteugelen. Het is aardig van ze dat ze wat restanten hebben achtergelaten, waar wij ons vervolgens aan kunnen vergapen. Zoals Yilanlikale, een burcht die ooit bij de antieke stad Misis stond. Vanaf ons tentje kijken we op de burcht uit die enkele kilometers verderop gelegen is en dromen over de zware reis en strijd van eeuwen geleden. Daar valt ons reisje bij in het niet. Waar het Rooms-Katholieke geloof mensen al niet toe aanzette.

De Iskenderum Korfezi, een baai in de Middellandse Zee, is minder poëtisch dan de naam doet vermoeden: in plaats van naar een mooi zandstrand met palmen dalen we af naar een industriegebied met olieraffinaderijen, een olie-opslagterrein, bedrijven voor steenkooloverslag en honderden tankauto's. Gezellig.

katoen
een wagen vol katoen

Enkele tientallen kilometers verder komt het plaatje weer wat meer overeen met het gewenste beeld van de wereldreis: heuvels, sinaasappelboomgaarden, lieftallige dorpjes. Onder het koele dak van een enorme ficusboom drinken we thee en eten twee 'gevonden' sinaasappels.

In Payas gaan we op zoek naar een oude caravanserai, de trots van het dorp. Wanneer we er aankomen staat er een groepje mannen te praten, dat gelijk veel belangstelling voor ons toont. De meeste mannen zijn gekleed in de traditionele islamitische kledij, behalve een deviant die officieel gekleed is in driedelig pak. Een grote Mercedes staat op hem te wachten. Het blijkt de wethouder van de regio te zijn. Als we te kennen geven dat we hier ergens zouden willen overnachten regelt hij dat we de nacht in de caravanserai mogen doorbrengen. Dat is niet verkeerd, al weten we nog niet precies waar we dan kunnen slapen.
De officiële naam van de caravanserai luidt: de Sokullu Mehmet Pasa Caravanseray. Het complex dateert uit 1574 na Christus, zoals een inscriptie boven de poort aangeeft. Het is gebouwd in opdracht van Sokullu Mehmet Pasa, een minister van de Ottomaanse sultan Yavuz Selim. Hij heeft het gedoneerd als "een blijvend monument in een tijdelijke wereld." Bewaker Sefer geeft ons een rondleiding door het enorme complex. Het is zelfs groter dan we van buiten konden zien en bestaat uit een caravanserai, moskee, restaurant, overdekte bazaar, badhuis (hamaam), school (medressa) en gevangenis. Het overgrote deel ziet er nog uit zoals het ooit is gebouwd; op een enkele plek zien we stukjes beton bij wijze van restauratiemateriaal. Het is geen gelikt monument met als enig doel toeristen lokken, daarvoor is het te vervallen en te vuil. In de tuin voor de moskee staat een 1300-jaar oude olijfboom, die nog steeds vruchten geeft. Een prachtig gekronkeld exemplaar.

olijfboom op binnenplaatsbbbbbbbbmoskee

Na de thee wordt onze slaapplaats gewezen: we mogen in een van de oude winkeltjes van de bazaar slapen. Vanuit de hamaam wordt een paar massagebanken gesleept en in het lege winkeltje gezet. Hierop kunnen we onze matrasjes en slaapzak leggen. De fietsen gaan ook naar binnen. Tevens mogen we gebruik maken van het badhuis, dat nog altijd een watervoorziening heeft. De baas van de bewaking laat ons zien waar en hoe we er gebruik van kunnen maken. Het badhuis heeft een zestal kamers, waaronder een aantal massageruimtes. Alle ruimtes zijn van graniet en marmer. Wij mogen gebruik maken van de grote badzaal; deze heeft rondom verkleedhokjes van hout. In het midden van de ruimte staat een grote ronde stenen bak, die gevuld is met koud water. De baas blijft vervolgens wel erg lang dralen, als wij ons willen uitkleden. Hij staat duidelijk te wachten op een gratis peepshow, maar voor het zover is bonjour ik hem de deur uit.
Even later liggen we in het grote ronde bad. Sultan Peter en Prinses Karin. De Turken zijn fantastisch. De Turkse en Islamitische cultuur is geweldig. Dit badhuis is fenomenaal en het is zeer bijzonder dat wij hier mogen zijn.

Karin baddert

Tussen ijzer-, linzen-, bulgur- en meelfabrieken fietsen we de volgende dag naar Antakya. Theetentjes ontbreken hier langs de weg. In plaats daarvan worden we bij een tankstation uitgenodigd om thee te komen drinken. De baas entertaint ons zolang hij tijd heeft. Wanneer hij even weg moet wordt een medewerker opdracht gegeven om ons te onderhouden en thee te blijven schenken. Wat een volk.
Die avond zijn we in onze laatste grote plaats in Turkije: Antakya, het oude Bijbelse Antiochië. Hier is de Petrus-grot te bewonderen, een klein 2000 jaar oud kerkje dat uit de rotsen is gehouwen. Twee eeuwen geleden liepen Petrus, Paulus en Barabas hier. Achterin de grot is een uitgehakte gang die langs de hele berghelling loopt. Deze tunnel diende als vluchtroute voor de vervolgde Christenen.
In de mooiste bazaar tot nu tot maken we onze laatste Turkse lira's op aan een gebedsketting, een salvar (ouderwetse Turkse wijde pofbroek), een hangertje tegen het boze oog en een pot honing met noten. We bezoeken het Archeologische Mozaïekmuseum met prachtig gerestaureerde mozaïeken uit de eerste eeuw na Christus.

En dan is het voorbij. Na anderhalve maand gaan we Turkije uit. Te vroeg, want er is nog veel wat we niet hebben gezien. Een goede reden om eens terug te keren…