|
Malle Pietje, nieuwe nokken,
duizenden bananen en Antalya is erg ingesteld op toeristen. Dat is een koude douche, wanneer je zoals wij net uit de stille authentieke binnenlanden komt, waar je soms de eerste niet-Turk bent. We gaan dan ook niet graag naar de stad zelf, maar blijven liever op of rond de rare camping van kapitein Ali Baba. Wanneer we mijn fiets willen laten lassen, moeten we toch Antalya in. Net als in Istanbul zijn straten en wijken ingedeeld naar produkt. Alle bedrijfjes in dezelfde branche zitten bij elkaar in dezelfde wijk: metaalhandel, aluminium, autoreparatie, fietsen, lasbedrijven. Wel zo makkelijk voor ons. Met behulp van ons Turkse woordenboekje heb ik twee zinnen uit mijn hoofd geleerd waarmee ik het probleem kan aanduiden en wat er gedaan moet worden. Het wordt begrepen door voorbijgangers en we worden meermalen verwezen naar Seckim Kaynak, waar de heer Ata de scepter zwaait. Het blijkt een onooglijk kleine en vieze werkplaats te zijn. Vertwijfeld kijk ik naar binnen en schat de hoeveelheid rommel op een ton of vier. Een echte Malle Pietje winkel. In Nederland zou ik in zo'n zaakje niet snel binnenlopen met mijn dure fiets. Hier hebben we niet veel keus. In mijn beste Turks leg ik de heer Ata (zwarte handen, zwart gezicht, zwart geworden kleren en natuurlijk zwart haar) uit wat het probleem is. De bevestigingsnokjes van de bagagedrager zijn van het frame gebroken en hij moet er nieuwe, grotere en vooral sterkere op zetten. Hij begrijpt het onmiddellijk (denk ik) en we gaan aan de slag. Ik demonteer de drager, het achterwiel en de derailleur. De lasser blijkt een professional: met grote nauwkeurigheid snijdt hij twee nieuwe nokken, last ze perfect op de goede plaats, werkt de las netjes af en spuit er zelfs een nieuw laklaagje op. Voor zes euro ben ik een opgelucht en blij mens!
De tweede opdracht is extra metalen hulzen om over de gebroken tentstokken te schuiven. Met twee breuken zijn de meegeleverde hulzen op. In een straat vol winkels met metalen pijpen gaan we vragen. We hebben één huls bij ons als voorbeeld. Een monteur zet ons met een kop thee op een bankje en maant ons te wachten. Tien minuten later komt hij terug met een ijzeren pijp in zijn handen met de juiste diameter. Hij snijdt er vier pijpjes van op maat, vijlt de bramen er netjes af en wil vervolgens van geen betalen weten. Het is toch niet te geloven, we dringen aan maar hij wil absoluut geen geld voor zijn arbeid. Ook de camping van kapitein Ali Baba lijkt op het winkeltje van Malle Pietje uit de oude televisieserie Swiebertje. Overal ligt wat, overal is het een rommeltje, staan bouwseltjes en ligt prullaria. In de bomen zijn zelfgetimmerde hutten gemaakt met slaapkamer en badkamer, aan het riviertje zijn allerlei terrassen gebouwd, de een nog schever en gezelliger dan de andere. Naast onze tent staat een open houten huisje met ligbanken, dat van binnen net een rommelmarkt is. Op het terrein lopen kippen, ganzen en kalkoenen rond.
Groot nadeel is de Turkse smartlappenmuziek die elke avond tot half twee doordendert. Met de Koerden die op de camping werken hebben we veel contact. Bulent Taskin komt uit Adiyaman en vertelt over de armoede en grote werkloosheid in het oosten van Turkije. Hij verhaalt over de achterstandspositie van de Koerden. Geen werk betekent geen geld en dat betekent geen toekomst, niet trouwen, geen kinderen. Bij het afscheid geven we hem een gesloten envelop met een ansichtkaart en geld, als opstapje voor een beter leven voor hem en zijn vriendin. De zuidkust van Turkije is afwisselend mooi en saai. Mooi vanwege de aardige uitzichten en de bananenplantages, saai vanwege de lange rechte stukken met harde tegenwind.
De watervallen van Manavgat zijn van zichzelf mooi, maar worden lelijk door de hordes toeristen die er rondlopen. Ook Alanya, waar we de volgende dag aankomen, is volledig ingesteld op toeristen. Dat doet de sfeer niet goed en de prijzen zijn het dubbele of meer. Omdat we niet in een hotel willen en de camping 20 kilometer verderop ligt zoeken we een plekje op het gras bij een strandtent. De eigenaar vindt het prima en we krijgen zelfs een drankje aangeboden. Wanneer het 's avonds rustig is, wordt er een bewaker opgetrommeld die niet alleen de strandtent maar ook ons moet bewaken. De fietsen moeten we van hem in een toiletgebouw zetten, waar we vervolgens zelf de sleutel van krijgen. Dat is toch weer het aardige van het "wild" kamperen. Hoe verder we van Alanya in oostelijke richting fietsen, hoe minder toeristen er zijn en hoe Turkser het wordt. Gelukkig. De eerste 60 kilometer langs de zee zijn vlak en er is weinig wind. We fietsen langs honderden bananenplantages met duizenden bananen en kassen vol tomaten en komkommers. Dan verlaten we de kustweg en worden we de bergachtige binnenlanden in geleid. De klimkilometers zijn lang en heet, maar verschrikkelijk mooi. In de dorpjes die we passeren is geen toerist, en dus ook geen camping meer te vinden. We kamperen wild of in de tuin van een klein restaurantje. Wanneer we terugkeren aan de kust duiken we snel de zee in om onze verhitte lijven af te koelen. Het is oktober en we vernemen van andere reizigers dat het in de bergen rond Cappadocië regent en sneeuwt. De winter komt eraan. We zullen onze planning moeten wijzigen om winterse taferelen te vermijden. We blijven derhalve langs de kust, voor Cappadocië zullen we een andere keer terug moeten komen.
Vanaf 395 na Christus maakte het Romeinse Rijk plaats voor het Byzantijnse Rijk, dat zou duren tot 1453 na Christus. De veroveringsdrang die zowel de Romeinen als de Byzantijnen hadden, weerspiegelt zich in de ruïnes die langs de zuidelijke kust van Turkije zijn overgebleven. De Turken zelf lijken aan de oude stenen niet veel belang te hechten, behalve dan in het geval toeristen het interessant vinden en er geld aan verdiend kan worden. In Kizkalesi, naast een oude Romeinse burcht, worden we aangesproken door een plaatselijke medewerker van het museum, die ons op zijn motor voorrijdt naar de camping. Deze blijkt midden tussen de ruïnes te staan: oude muren, een hamaam (badhuis), tombes en een cisterne (waterkelder). Een prachtige en zeer eenvoudige camping.
Vanaf hier tot Mersin is het één groot openluchtmuseum. Op weg naar de stad pakken we een zijweggetje dat leidt naar Kanlidivane, een van de cultuurhistorische plaatsen uit de Romeinse tijd. Er is een keur aan historische gebouwen, waaronder huizen, tempels, basilieken en stadsmuren. Het meeste indruk maakt de leeuwenkuil: een rond gat van 50 meter doorsnede, waar in vroegere tijden de ondeugende mensen in werden gegooid. Daar werden zij opgewacht door een stel hongerige leeuwen, die een definitief einde maakten aan het leven van de gestraften. We lopen via een smal pad naar de bodem van de kuil en zien tot onze opluchting dat er nu slechts geiten rondlopen, op zoek naar iets eetbaars. En dat zijn wij niet, wij zijn tegenwoordig te mager
|