Een Franstalig klein krengetje

De meest rommelige campings zijn soms de leukste. De eigenaars van ons kampeerplekje in Cinarcik zijn net zo rommelig en leuk als hun eigendom. Na een gesprek op hun terras moeten we mee naar hun tent annex houten hok een paar meter verder. Met een stel vrienden wordt daar een barbecue gehouden van vis en groenten. En drank natuurlijk, niet iedereen is streng Moslim. Wanneer er een stortbui losbarst verhuizen we van de lange tafel buiten naar het kleine houten huisje, dat gelukkig is afgewerkt met zeildoek. De raki vloeit volop, dan wordt er door Hussein en Serab een aantal Turkse liederen ingezet. De melancholieke keelklanken klinken in het benauwde hok als het filharmonisch orkest in de Rotterdamse concertzaal De Doelen. We trachten op muzikaal gebied iets terug te doen, maar na dit getalenteerde geweld maken we geen kans meer. Om half elf is het droog en modderen we vrolijk terug naar de tent. De Turkse klei blijkt een uitstekende soort lijm te bezitten waar onze schoenzolen helemaal verliefd op zijn. Moe bereiken we de tent en vallen in een diepe slaap.

Bij ons vertrek de volgende dag is de camping nog steeds onbegaanbaar. Met wat extra kilo's aan plakmodder, een armband die Karin van de eigenaresse krijgt en de belofte dat we hier ooit terugkomen, fietsen we langs de kust in de richting van Armutlu. De zon is teruggekeerd en er zijn prachtige vergezichten in het schilderachtige landschap. Onze stemming stijgt met elke meter die we klimmen en dalen. Wanneer we in het dorp Kaplica aankomen stoppen we om op de kaart te kijken. Onmiddellijk komt er een heel klein vrouwtje aan die ons aanspreekt:
"Bonjour, comment Va va? Vous avez un problème?"
Da's vreemd, iemand die Frans spreekt, terwijl we toch echt midden in Turkije zitten. Ik antwoord netjes met:
"Mais non, merci, nous seulement voulons voire la carte pour la direction. Pas de problème, merci."
Ze neemt er geen genoegen mee.
"Mais je peux vous aider, c'est mon plaisir."
Ze wil ons persé helpen, ook al hebben we geen hulp nodig.
"Non merci, Va va très bien."
Ik kijk haar aan en zie een onooglijk maar desperaat gedreven vrouwtje, volledig in zwarte kleren, die niet van plan lijkt haar prooi los te laten. Waarom we in Godsnaam een prooi zijn is mij een volslagen raadsel, maar de triomfantelijke blik in haar ogen verraadt dat we nog niet van haar af zijn.
"Ah, je pense vous allez à Armutlu donc, ce n'est pas un problème. Donnez moi la carte."
"Excusez?"
Ongevraagd trekt de dwerg de kaart uit onze handen en begint hem te bestuderen. Zo'n brutaliteit hebben we nog niet meegemaakt. Zij bepaalt hoe en waar we heen gaan vandaag. Ze gaat onverdroten door:
"Ici, vous êtes a Kaplica, c'est ici sur la carte." Ze wijst iets aan op de kaart maar we zijn beiden te verbouwereerd om er aandacht aan te besteden.
"Quand vous allez à droite ici et donc tout à cette direction, vous arrivez à Armutlu dans une heure. C'est très simple, voilá."
"Mais nous vou.." Karin krijgt niet de kans haar zin af te maken.
"Non, écoutez moi, je seulement veux vous aider. Pas de problème."
We stappen vlug op de fiets, voor we door het pittige dwergje meegesleurd worden naar haar huis waar ze de rest van haar leven voor ons gaat zorgen of we willen of niet.
"Merci et au revoir!"
In tien minuten tijd hebben we veel begrip ontwikkeld voor het sympathieke dwergwerpen.
In een straf tempo fietsen we het dorp uit, af en toe angstig achterom kijkend of we niet gevolgd worden door een dinky toytje. Dat blijkt niet het geval en opgelucht rijden we een uurtje later Armutlu binnen. Na de boodschappen gaan we een camping zoeken voor de nacht. Die is er in Armutlu niet, vreemd genoeg.

Karin fietst langs de kust

Enkele kilometers verderop, dichtbij het gehucht Fistikli, lukt het wel. Via een supersteile betonnen helling dalen we af naar zee, waar een camping annex restaurantje is gevestigd: Kuzenler et Mangal & Plaj. Het is begin september en we zijn de enige klanten, het seizoen is voorbij. De camping, gerund door drie mannen, ligt in een kleine baai op een weergaloos mooi en stil plekje. Het is pas acht dagen na Istanbul, nog geen tijd voor een langere pauze. Maar dit plekje is te mooi en erg goedkoop. We blijven er vier dagen. De uiterst voorkomende mannen komen 's morgens en 's middags een kopje thee en verse vijgen brengen. We kopen er groente, brood en drinken. Na het ontbijt duiken we in zee, bestuderen de kwallen die de vorm van een portemonneetje hebben, vangen een zeenaald, zien zonnebadende vissen en volgen een eekhoorn op twee meter afstand. We luieren. We eten ons vol aan fruit en Turkse koekjes en genieten van zon, zee en de gratis thee en vijgen.
Aan het eind van deze korte vakantie gaan we in het bijna lege restaurant van de camping uit eten. Dat hebben de drie mannen wel verdiend, inclusief een fooi en een drankje.

bescherming tegen muggen

een hoop kleine rotmugjes op deze camping

Dan gaan we weer op pad. Het steile paadje de camping af moeten we lopend afleggen. We fietsen over een glooiende weg in een heerlijk zonnetje in de richting van Bursa. Links en rechts zijn boomgaarden met olijfbomen, die bijna plukrijp zijn. In Gemlik drinken we ons favoriete drankje: ayran, een lichtzure dunne karnemelk die erg fris van smaak is. Hoe verser hoe lekkerder.
Met 80 kilometer op de teller arriveren we in Bursa, na een lange hete klim. We zitten uit te puffen op een bankje in een park, wanneer we aangesproken worden door een jonge studente. Ze is volledig door het dolle heen en straalt van enthousiasme, enkel en alleen omdat ze ons ziet. Ze studeert Engels en vertelt dat ze zelf fanatiek fietst, maar dat fietsen voor vrouwen in Turkije een groot probleem is. Veel mensen vinden dat vrouwen niet mogen fietsen. Dat ze ons tegenkomt is voor haar een droom die uitgekomen is. Ze brengt ons bij het toeristenbureau, waar we te horen krijgen dat er geen campings in de buurt zijn. We nemen afscheid van onze fan en wensen haar en het fietsen in Turkije het beste.
Met veel moeite zoeken we de weg de stad uit en gaan op zoek naar een wild plekje. Laverend langs diepe putten in het wegdek komen we uiteindelijk op de grote weg richting Inegöl. Een vrachtwagen stopt vlak voor ons en geeft te kennen dat we mee kunnen rijden. Ha. Echt niet. We zijn wel moe, maar niet zo moe.

Diep in een perzikboomgaard verborgen vinden we net voor het donker wordt een doodstil plekje voor de nacht. Jammer alleen van de perzikken. Want die zijn al geplukt.