|
Verdwalen, een dief in de nacht, krabben en vlektyfus Een stel apen kijkt ons vragend aan. Gealarmeerd rent een familie knobbelzwijnen met de staart recht omhoog de bosjes in. Een troep parelhoenders vliegt verschrikt op wanneer een steentje van onder een band wegspringt. Neushoornvogels kijken vanaf een veilige afstand toe hoe we ons een weg banen door het doodstille park. Waterbucks rennen honderden meters met ons mee, tot de leider halt houdt en de hele troep blijft staan. Het mooist zijn de statige giraffes die uit de hoogte op ons neerkijken. Ik kan het niet laten en roep ze toe: "Koud daarboven?" Geen antwoord.
Het is zwaar maar leuk fietsen in een gamereserve. Lastig wordt het bij een t-splitsing, natuurlijk zonder bordjes: links een zandpad, rechts een zandpad. Op goed geluk slaan we rechtsaf. Bij de volgende splitsing kiezen we voor links, voor de afwisseling. Na ruim 20 kilometer komen we de eerste medemens tegen. Een uur later hebben we de zekerheid dat we verdwaald zijn, wanneer we in het dorp Wami aankomen. Net als vele andere dorpjes staat Wami niet op de kaart. De weg houdt op in het dorp; twee jongens op een fiets brengen ons naar de spoorlijn. Als we het smalle paadje ernaast blijven volgen komen we na 24 kilometer vanzelf uit bij de weg naar Bagamoyo, zeggen ze. Afwisselend hobbelen, lopen en zoeven we over het smalle pad langs het spoor.
Afgezien
van wat fietsers die we tegenkomen op deze belangrijke noord-zuid verbinding
zien we slechts bavianen, op zoek naar water.
We brengen
een bezoek aan de overblijfselen van de Duitse koloniale periode en
zien hoe ook hier de mooiste gebouwen door een gebrek aan onderhoud
zwaar in verval zijn geraakt. Het museum van Bagamoyo is opvallend overzichtelijk
en geeft een goed beeld van de tijd van de slavernij, de koloniale overheersing
en de nationale held Nyerere, die als eerste president van het land
een eenheid heeft gemaakt. Bij de uitgang zien we dat het museum is
opgezet door een Nederlander. Naast het museum staat de kapel waar de
overleden Livingstone een nacht is opgebaard alvorens verscheept te
worden naar Engeland. Niet ver daarvandaan staat de kerk waar Livingstone
lang geleden de dienst bijwoonde. Een bordje boven de deur herinnert
de bezoeker eraan.
De wind is echter zo venijnig dat ze het vuurtje niet aankrijgen. Maar ze laten zich niet uit het veld slaan: met een stok wordt er een kruis in het zand gemaakt, waar de takjes in gelegd worden. Het kuiltje werkt perfect als windbreker want het kleine kampvuurtje doet het gelijk. De plastic fles met krabben en zeewater wordt in het midden gezet maar begint al snel te smelten. Als tweede pan dient een halve kokosnoot. Ook dat werkt niet helemaal goed: het water wil niet koken en de kokosnoot verandert van pan in brandhout. Hun inventiviteit kent geen grenzen: we kijken toe hoe een leeg fantablikje onthoofd wordt met een klein mesje. Deze aluminium pan werkt prima en na een kwartiertje blazen en houtjes aanslepen wordt de maaltijd geserveerd. Voorzichtig proeven we van het gekookte krabvlees en, eerlijk is eerlijk: het is heerlijk. Al ziet het er allemaal niet zo smakelijk uit, al zitten er veel botjes en schalen aan het vlees, al kraken onze kiezen van het zand, het krabvlees smaakt goed. De drie kleintjes zitten te glunderen.
Twee uur
later staan we onder de emmerdouche in ons guesthouse en ontdekken onze
nieuwste afwijking: onder het zwemgoed zit zowel Karins als mijn huid
vol met rode pukkels. In de daaropvolgende dagen beginnen deze flink
te jeuken en verplaatsen zich naar borst, rug en schouders. Wat hebben
we nu weer?
|