|
De Titanic:
Op weg naar
de Indische Oceaan ervaren we voor de zoveelste keer de ergernis die
tegenwind bij ons kan opwekken. Die ergernis wordt meestal veroorzaakt
door een erg lage snelheid terwijl we ons te pletter fietsen. Vandaag
is de frustratie dat we van een hoogvlakte op zo'n duizend meter zakken
naar zeeniveau, zonder ooit het gevoel te krijgen dat we afdalen. En
dat terwijl afdalen zo heerlijk is: de wind om je hoofd horen suizen
en de teller de 50 of 60 km/uur te zien passeren zonder een trap te
doen. Het feestje gaat aan ons voorbij, afgepakt door een onzichtbare
vijand.
Zonder kleerscheuren bereiken we de eerste dag Pangani, over middelmatige steenslagweggetjes langs uitgestrekte sisalvelden in een moordend heet Tanzaniaans stoombad en langs de ruines van Tongoni. Pangani, gelegen aan de monding van de gelijknamige rivier, was ruim honderd jaar geleden een belangrijke handelshaven en voor die tijd de doorvoerhaven van de slavenhandel. De slaven kwamen na een lange voettocht uit het binnenland hier aan om gekeurd, verhandeld en getransporteerd te worden naar Zanzibar en verre bestemmingen. We bezichtigen het keuringsgebouw: door middel van foltering werden hier de sterken van de zwakken gescheiden. De kelders deden dienst als opslagruimte, tot men voldoende handelswaar had en de slaven via een onderaardse gang naar boten op de rivier geleid werden. Helaas is het gebouw verboden terrein wegens instortingsgevaar.
Dichtbij het marktplein, waar de slaven verhandeld werden, staat de oude gevangenis. Hier werden ongehoorzame slaven ondersteboven opgehangen aan speciaal daartoe aangebrachte balken net onder het plafond. Ook dit gebouw staat helaas op instorten, het blijft dus bij loeren door de open ramen.
Bij de rivier zien we twee ferry's liggen, die mensen en auto's naar de overkant moeten brengen. Beide ferry's zijn kapot. Een ervan wordt gerepareerd door een aantal mannen, die in smerige overalls aan de motor aan het sleutelen zijn. Ondertussen worden mensen, fietsen, dieren en vracht overgezet met oude houten motorbootjes, die naar de norm van de eigenaar pas vol zijn wanneer ze tijdens het varen water beginnen te maken. We tellen veertig mensen, waar wij tien al heel mooi zouden vinden.
Biddend dat
de ferry gerepareerd is, fietsen we de volgende ochtend vroeg naar de
kade. Het heeft niet erg geholpen. De ferry ligt er nog net zo hulpeloos
bij als gisteren. Twee houten motorbootjes varen stampvol heen en terug
over de gelukkig kalme rivier. Zuchtend laden we de fietsen af en sjouwen
onze spullen in de kleine Titanic. Hulp slaan we wijselijk af, wetende
dat er meestal, per ongeluk, iets kapot geholpen wordt. Wanneer het
wankele bootje, met twintig mensen, een achttal fietsen en heel veel
vracht, naar ons idee meer dan genoeg diepgang heeft, manen we de stuurman
om te vertrekken. Tot onze opluchting doet hij dat. Gaan we dit dan
toch overleven?
Na 20 kilometer zweet, stof, vliegen en flinke stukken zandwandelen, vermoeden we in de Sadani Game Reserve te zijn, wanneer we knobbelzwijnen, Natal red duikers, waterbucks en apen om ons heen ontwaren. Een Landrover met drie blanken geeft definitieve zekerheid. De laatste kilometers zijn iets minder zwaar dankzij de harde ondergrond. We fietsen door een grote, krakerige zoutvlakte en komen even later volledig uitgewoond op de plaats van bestemming.
Het vierkamerige
guesthouse, eigendom van de overheid, ligt aan de Indische Oceaan. We
zijn de enige gasten, zwemmen 's avonds naakt in de warme zee en kijken
vanuit dit hemelse plekje naar miljoenen sterren en de weerspiegeling
van de maan in ons enorme zwembad.
|