Stuiteren
tot je bloed piest........ Soms lijkt het of lands- en klimaatgrenzen
samenvallen. Was Uganda bijna in zijn geheel vochtig, tropisch, groen
en nat, de eerste indrukken van Tanzania zijn tegenovergesteld: droog,
dor en heet. De laatste etappe vanuit Uganda sluiten we met 116 kilometer
af in Kyaka, zo'n 30 kilometer over de grens. Ook in dit dorp, op de
afslag naar het grotere Bukoba, zijn blanken een onbekend fenomeen gezien
de verbaasde en starende blikken. Voor 3 1/2 gulden (waar blijft die
euro toch?) hebben we een kamer en voor 1 euro (daar is-ie dan!) gegeten
en gedronken.
De volgende dag is het slechts een korte etappe van 50 kilometer naar
Bukoba. Dat komt goed uit, want de wind staat voor het eerst sinds lange
tijd weer eens de verkeerde kant op en de nieuwe asfaltweg kent een
aantal hobbelige onderbrekingen. Onder leiding van Chinezen wordt de
modderige steile weg over de heuvels verbreed en geasfalteerd. Zover
is men echter helaas nog niet en we zijn gedwongen flinke stukken te
lopen en de fietsen door diepe afvoergeulen te slepen. Bij een groep
wegwerkers wijs ik op de zandheuvels, modder en geulen, en vraag hen
waarom het nog niet klaar is. Ze halen hun schouders op en lachen om
mijn pesterij.
In Bukoba wissel ik twee travellers cheques, terwijl Karin de bewakers
uithoort. Geoff van de Merwe, de Zuid-Afrikaanse motorrijder die we
in Ethiopië hebben ontmoet, stuurde ons onlangs een e-mail met
een waarschuwing voor het traject van Bukoba naar Mwanza: hij werd er
overvallen met mannen met machetes en kon ternauwernood op tijd wegkomen.
De bewakers bevestigen het gevaar en raden ons, net als Geoff, aan om
de veerboot te nemen. Deze vertrekt deze avond tussen negen en tien
uur. De keuze tussen de boot of de dood is niet moeilijk. We fietsen
alles het liefst maar zijn nog steeds dol op het leven. Door het Indisch
aandoende Bukoba rijden we naar de haven, waar het een drukte van belang
is. Gokkend op een slaapplekje op het dek kopen we derdeklas-kaartjes
voor de 375 kilometer lange boottocht over Lake Victoria. Achter het
vervallen boekingskantoor is een toilet- en douchegelegenheid, waar
we na de zweterige ochtend graag gebruik van maken. Ook in dit land
is bijna alles kapot: licht, douchekranen, wasbakken, deuren. Maar de
douche geeft koud water en dat frist lekker op.
Met onze fietsen mogen we
als een van de eersten op de boot en de stuurman geeft ons een mooi
plekje in een doodlopende gang bij de reling, vanwaar we zicht hebben
op het laden. Wanneer je een aantal uren te doden hebt, is niets ter
wereld mooier dan het kijken naar het laden en lossen van een schip
in Afrika. Alles gaat met de hand en alles moet mee. Op deze boot zijn
dat voornamelijk bananen en bevroren vis, maar dan wel in gigantische
hoeveelheden. Door de lage stand van het water staan de loopplanken
in een hoek van 45 graden tegen de kade op, waarover de sjouwers met
hun zware vracht urenlang de boot op klauteren. Het is bloedheet, de
zon staat recht aan de hemel en het zweet vliegt in het rond. Er wordt
hard gewerkt. De enorme trossen groene bananen zijn gemerkt met verf
of inkervingen, opdat ze na het lossen bij de rechtmatige eigenaar belanden.
De boot is omgeven door jagende vogels: ibissen, zilverreigers, aalscholvers
en honderden ijsvogels duiken al dan niet met succes het water in.
Vanaf 20.00 uur worden de passagiers
losgelaten vanachter de hekken en de boot stroomt vol. Er zijn drie
klassen met drie bijbehorende loopplanken. Helaas staat bij geen enkele
loopplank aangegeven tot welke klasse deze toegang geeft. Dit heeft
tot gevolg dat veel mensen de loopplank naar een bepaald dek nemen,
om er enkele minuten later achter te komen dat ze in de verkeerde klasse
beland zijn. Volwassenen, kinderen en bejaarden klauteren vervolgens
met gevaar voor eigen leven en grote pakken bagage terug op de kade
om een andere steile loopplank te proberen. De inefficiëntie zou
komisch zijn als er niet zoveel gevaar aan verbonden was. Een kleine
misstap en je belandt tussen wal en schip.
Om 21.30 uur klinkt voor de tweede keer de scheepstoeter en we varen.
Om mijn sinds vanmorgen steeds rauwer wordende keelpijn te verzachten,
heb ik een flesje Konyagi aangeschaft: de Tanzaniaanse van suikerriet
gestookte gin. Dat werkt goed: na een uur liggen we te pitten op een
van onze slaapmatjes, ingeklemd tussen fietsen en scheepsopbouw. Bij
het ochtendgloren worden we wakker terwijl een roze zon de ronde heuvels
van Mwanza verlicht.
Mwanza, de tweede stad
van Tanzania, roept met haar stoffige straatjes en muezzins sterke herinneringen
op aan het Midden-Oosten. We moeten wennen aan het levensritme van deze
stad: 's morgens gaan de winkeltjes laat open, 's middags houdt men
urenlang siësta en om 17.00 uur gaan de deuren weer op de vijf
of zes sloten. Je vraagt je af hoe en wanneer ze hun geld verdienen.
Sommige winkels gaan nooit van het slot. Gelukkig doet 'Salma Cone'
dat wel: voor een grijpstuiver kopen we er een verse vruchtensap, hartige
en zoete hapjes of een maaltijd.
We bekijken de Bismarckrots: een klein eilandje van reusachtige granieten
rotsblokken waarop alle soorten Afrikaanse watervogels zich verzameld
lijken te hebben. Mwanza is gebouwd tussen en op heuvels, die hun opvallende
uiterlijk danken aan de door reuzen neergeworpen kiezelstenen. Tussen
en op de rotsen staan duizenden lemen en stenen huisjes en winkeltjes
kriskras door elkaar. Waar we ook lopen of fietsen: overal ruiken we
de lucht van gedroogde en verse vis. We zitten niet voor niets aan een
meer blijkbaar.
Na twee dagen en een slechte laatste nacht in het hotel -op de begane
grond dramt een disco tot 6.00 uur door- verlaten we Mwanza. Onze route
in Tanzania wordt sterk beperkt door de aaneensluitende wildparken in
het noordwesten. Ook al zouden we het willen, we kunnen daar niet fietsen
vanwege het vele gevaarlijke wild. We gaan op weg naar Arusha, noodgedwongen
met een omweg van 800 kilometer via Shinyanga, Nzega en Singida. De
reisgids vertelt ons dat dit gebied weinig of niet door individuele
reizigers is bezocht.
De eerste 100 kilometer
fietsen we over nieuw maar hobbelig asfalt. We fietsen nooit alleen:
ook hier verzamelen we moeiteloos onze volgelingen en houdt onze 'vriend'
de tegenwind ons de gehele dag gezelschap. Het landschap is van bijzondere
schoonheid: granietheuvels, uitgestrekte droge akkers, de beloofde Afrikaanse
lemen hutjes met rieten daken en overal de uit de hemel geworpen baobabbomen.
De meesten zijn nog kaal, een enkele staat in bloei en sommigen hebben
al blad.
Karin's verkoudheid maakt plaats voor stofhoest, mijn keelpijn wordt
vervangen door stevige hoestbuien die witte, gele en groene slijmproppen
opleveren. Heerlijk, als de troep er eenmaal uitkomt. Het is heet, de
zon staat weer recht boven ons en na Karin ben ook ik genoodzaakt een
petje aan te schaffen. Mijn halve gezicht zit onder de vellen; met name
voorhoofd, neus en lippen hebben het zwaar te verduren.
Na het asfalt komen we in
zwaar terrein: de weg is niet meer dan een verzameling grind, keien,
zand, stof en kuilen. Met de tegenwind en vele extra liters water op
voorraad zakt onze snelheid onder de tien kilometer per uur. We stuiteren
van links naar rechts over de weg, op zoek naar een glad stukje terrein
zonder wasbord en keien. Het lijkt altijd weer aan de andere kant van
de weg te liggen, maar aan de andere kant aangekomen is het meestal
net zo slecht. Als een denderende vrachtwagen of bus ons passeert moeten
we stoppen tot het stof is vervlogen. De Afrikaanse fietsers maken veel
gebruik van de smalle geitenpaadjes die soms langs de wasbordweg lopen,
wij volgen hen gedwee. De slingerende paadjes zijn iets gladder en net
iets comfortabeler. In plaats van 8 rijden we hier met half zoveel moeite
14 kilometer per uur. Wat blijft zijn de stukken zand, waar we de zware
fietsen moeten duwen terwijl de sandalen vollopen.
Op de vierde dag horten en stoten moet ik regelmatig dringend plassen,
wat elke keer erg pijnlijk is. Enkele uren later heeft Karin hetzelfde
probleem; het lijkt wel of we beiden tegelijk blaasontsteking hebben
opgelopen. Een half jaar geleden hadden we in Ethiopië hetzelfde
probleem, onder dezelfde omstandigheden. Toen verdwenen onze klachten
na twee dagen vanzelf. Aan het eind van de middag is het plassen niet
alleen pijnlijk maar heeft mijn urine ook nog eens een bruinrode kleur.
's Avonds wordt het nog erger: ik plas bloed. Volgens ons medisch tropenboekje
zou het bilharzia kunnen zijn, maar het lijkt ons te toevallig dat we
dit beiden exact tegelijk oplopen.
De volgende ochtend plast
ook Karin bloed en we maken ons zorgen, ook al voelen we ons verder
goed. Het is de laatste dag van 400 kilometer onverharde weg naar Singida,
centraal gelegen in het ruige noorden van Tanzania. Ook vandaag is de
weg onbegaanbaar en na enkele uren voelen we beiden pijn in onze nierstreek,
ook al trachten we zoveel mogelijk te staan. We hebben inmiddels het
sterke vermoeden dat onze plasproblemen veroorzaakt worden door het
dagelijks vijf tot zes uur stuiteren op de slechte weg. Onze nieren
hebben het zwaar te verduren en voelen daardoor geïrriteerd. Het
wordt hoog tijd voor een dagje asfalt........of een dokter?