Ons overwinningsfeestje na de mooie maar
zware route van Songea naar Masasi, verloopt minder vrolijk dan we hadden
verwacht. Nog dezelfde avond voelt Karin zich beroerd en gaat vroeg
naar bed. We wijten het aan de vermoeiende reis en stellen het feestje
uit tot morgen.
Maar, de volgende ochtend brengt geen verbetering. Integendeel. Hoge
koorts, hoofdpijn, spierpijn, pijn in nek, armen, schouders en knokkels
zijn naast maagpijn voldoende ingrediënten om haar in bed te houden.
Eten en drinken zijn moeizame activiteiten, slapen en kreunen is het
enige dat Karin probleemloos afgaat. We gissen naar de oorzaak en houden
het vooralsnog op oververmoeidheid.
Woensdag gaat het niet veel beter. De koorts gaat met pieken omhoog
en omlaag, met een verontrustende 40,3 als winnaar. Voor de zekerheid
nemen we een zelftest voor malaria af, deze blijkt met een enkel roze
streepje echter negatief. Een streepje betekent dat de test goed gelukt
is en dat er van malaria geen sprake is, daarvoor heb je twee roze streepjes
nodig. Ook met onze ontstekende wondjes gaat het niet beter: ondanks
een regelmatige wondontsmetting blijft de boel etteren. Karins eetlust
is nog steeds minimaal, het kost me grote moeite haar te bewegen een
broodje en een mango te eten. In de "bafu" (badkamer) was
ik de zure zweetlucht van haar af en doe daarna bij mezelf hetzelfde.
Helaas verbetert haar toestand vandaag niet.
Op donderdagochtend meten we een temperatuur van 40,7 en besluiten om
doktershulp te zoeken. Op 300 meter van ons guesthouse blijkt een 'dispensary'
te zijn, een soort plaatselijk consultatiebureau. Schuifelend ondersteun
ik haar en met enige moeite komen we er aan. Na inschrijving praten
we met de dokter die zich vooral op mij richt. De man wordt hier blijkbaar
meer serieus genomen dan de vrouw, ook al is zij de patiënt. Na
afrekening vooraf van de te ontvangen behandeling wordt Karin in een
klein kamertje gebracht waar ze op een metalen bed met een doorgezakt
plastic matras moet liggen.
Ze gaat nu
zienderogen achteruit: lopen en rechtop zitten zijn al bijna niet meer
mogelijk. Alvorens onderzoek te doen wil de dokter eerst haar conditie
verbeteren. Er wordt vreemd genoeg alleen bloeddruk gemeten, geen temperatuur
of hartslag. Een zuster prikt een paar keer mis, voordat het lukt om
een goedlopend infuus aan te leggen. Tevens krijgt Karin medicijnen
tegen ingewandspijn en ontstekingen, en tabletten voor de hier meest
voorkomende vorm van malaria. Een bilinjectie met pijnstiller lijkt
meer pijn te veroorzaken dan te verlichten. De arts schat in dat het
resultaat van het onderzoek een salmonellabesmetting of toch malaria
zal zijn.
De kamer waarin Karin ligt zou prima in een slecht guesthouse passen:
vies, kapotte luiken, kapot muskietenrooster voor het raam, muskietennet
met enorme gaten, een deur die niet sluit en tot overmaat van ramp water
dat overal naar binnen stroomt wanneer er een regenbui losbarst. Niets
van wat je zou verwachten in een Nederlands (regionaal) ziekenhuis.
De toiletten, een gat in de grond, zijn vies en stinken. Er is geen
stromend water (ja, behalve wanneer het regent).
In de loop van de dag gaat Karins toestand achteruit. Wanneer ze naar
het toilet moet, valt ze bijna flauw, is duizelig en kan niet meer zonder
hulp blijven staan. Op het toilet heeft ze weer diarree. Na drie uur
liggen en wachten vraag ik de dokter om het bloedonderzoek te doen;
gelukkig gaat hij ermee aan de slag. De communicatie verloopt erg moeizaam
door het gebrekkige Engels van de dokter en laborant en het verschil
in aanpak. De dokter vertelt dat de uitslag van het onderzoek er na
een uur zal zijn. Ondertussen loopt het infuus niet meer door en moet
er een nieuwe aansluiting op een ader geprikt worden. Dat lukte eerder
in Syrië al niet makkelijk, hier is het echt een drama. Na zeven
keer prikken en zoeken met de naald in het vlees, stoppen laborant en
zuster hun pogingen. Karin verkrampt van de pijnlijke pogingen en wordt
misselijk. De mango die ik haar gevoerd heb komt er in golven weer uit.
De ellende is meer dan compleet.
Intussen stort het buiten; het water komt langs de luiken naar binnen,
om op de vloer een grote plas te vormen. De elektriciteit valt af en
toe uit en we vragen ons steeds meer af of dit een plek is waar je als
mens beter zou kunnen worden, ook al wil je het heel graag.
Twee uur na het onderzoek wachten we nog op het resultaat. Ik ben het
zat en ga op zoek naar de dokter en laborant om de uitslag te vragen.
De laborant zit buiten op een bankje de krant te lezen. Ik vraag hem
of de uitslag van het onderzoek al bekend is. Ja natuurlijk, al lang,
loop maar even mee. Ik verberg mijn ergernis dat ze dat niet zijn komen
melden; het is toch logisch dat je wilt weten wat je hebt? Maar hier
werkt het zo dat je niets verteld wordt als je er niet zelf om vraagt.
Onbegrijpelijk.
De laborant legt in een hoop moeilijke zinnen uit dat er allerlei soorten
malaria zijn, waarna ik nogmaals vraag wat nu de uitslag van het onderzoek
is. Dan volgt eindelijk het antwoord: een ongevaarlijke vorm van malaria,
Plasmodium Falciparum. Niet de dodelijke Tropica zegt hij. Een geruststelling?
Na Karin ingelicht te hebben tracht ik een antwoord te krijgen op andere
vragen, zoals: medicatie, verloop van de ziekte, bijverschijnselen,
contra-indicaties en andere aanwijzingen. Op geen van de vragen wordt
helaas een helder antwoord gegeven. De dokter en laborant zijn niet
gewend aan patiënten die alles willen weten.
We krijgen medicatie mee voor de gestelde diagnose en moeten maar hopen
dat dit juist en voldoende is. Wanneer de regen stopt willen we graag
weg en vragen de medicijnen mee. Met een korte, schriftelijk verklaring
over de ziekte en behandeling verlaten we schuifelend het armoedige
pand. Trekken we normaal gezien als blanken al veel bekijks, nu is het
echt feest. De mensen vallen nog net niet van de fiets. Na 10 minuten
hebben we de 300 lange meters afgelegd en zijn terug in het guesthouse.
We pakken er gelijk ons tropenboekje bij, waarin blijkt dat de Plasmodium
Falciparum juist wel de gevaarlijke Malaria Tropica is. Gelukkig heeft
de dokter wel de juiste medicijnen voorgeschreven....pfff.
De volgende dag, vrijdag, lijkt het iets beter te gaan, maar de dagen
erna zijn verschrikkelijk. Karin heeft weer flinke koorts en ligt de
hele dag op bed. Ze slaapt veel, kan niets eten en heeft weer moeite
met drinken. Ze kreunt vrijwel voortdurend en kijkt me verwilderd aan
als ze wakker is. Zelfs praten wordt een probleem. Ze reageert nauwelijks
op vragen en opmerkingen, kan niet uit haar woorden komen en lijkt haar
denkvermogen te verliezen. Lopen gaat alleen nog met flinke ondersteuning,
op het hurktoilet duurt het tien minuten voor ze zich heeft weten te
laten zakken, waarna de gebruikelijke troep eruit spuit. Als een ziekenhuisbroeder
moet ik haar schoonmaken, zelf kan ze het niet meer.
Het is voor mij onvoorstelbaar om mijn partner zo mee te maken, het
is alsof ik een demente oude vrouw zie. Ik maak me steeds meer zorgen,
over de werking van de medicijnen, het verloop van de ziekte en het
gebrek aan verbetering. Maar waar moet ik met mijn zorgen heen?
Zondag is de situatie niet veel beter: de koorts loopt weer op, praten,
eten en drinken gaan niet goed. Karin ligt de hele dag op bed, drijfnat
van het zweet ondanks de hard draaiende fan. De enige geluiden die ze
voortbrengt zijn kreunen, steunen en snikken. Gelukkig slaapt ze tussendoor
veel. Ondanks hun beloften komen dokter en laborant niet eenmaal langs
om te controleren hoe het gaat.
Ik besluit vervoer naar Mtwara te gaan regelen, een grotere stad dichtbij
Mozambique en met meer en betere faciliteiten. Dat valt nog niet mee:
links en rechts informeer ik naar de mogelijkheden om met een pick-up
met dubbele cabine naar Mtwara te reizen. Er rijden veel van deze wagens
rond, maar de eigenaars eisen allemaal zo'n 150 dollar voor het ritje
van 200 kilometer. Een belachelijk hoog bedrag, gezien de dieselprijs
hier en het gemiddelde Tanzaniaanse inkomen van 2 dollar per dag. Zelfs
het malariaverhaal kennende, tracht iedereen zo veel mogelijk profijt
maken van deze zogenaamde blanke dollarstrooiers. Met een vriend van
de eigenaar van het guesthouse kom ik uiteindelijk tot een overeenkomst:
65 dollar. Op het afgesproken tijdstip komt hij echter niet opdagen,
vergeefs wachten we uren met alle spullen ingepakt. De dag gaat voorbij
zonder verplaatsing.
Maandagmiddag lukt het om vervoer te krijgen. Inmiddels gaat het iets
beter: Karin is weer aanspreekbaar, eet zelfs een halve mango, al komt
die er na een stevige buikkramp een half uur later weer uit.
In een pick-up met dubbele cabine laad ik 's middags alle spullen, de
fietsen achterop gebonden, Karin plat op de achterbank. Het wordt een
dodenrit. Bijna dan. De chauffeur is een roekeloze jongen die ondanks
zijn leeftijd het leven al zat lijkt te zijn. Aan het begin van de duur
betaalde rit wil hij uitgebreid gaan lunchen terwijl Karin achterin
de auto ligt te kreunen van de pijn. Ik houd me niet meer in en scheld
hem verrot dat hij het zelfs voor durft te stellen. Met een pakje koekjes
en een flesje frisdrank rijden we verder. Met minimaal honderd kilometer
per uur raast hij luid toeterend door de kleine dorpjes, terwijl koeien,
geiten en kinderen een veilig heenkomen zoeken. Ik verzoek hem iets
rustiger aan te doen, maar dat is hij na twee minuten weer vergeten.
Halverwege de rit begint het te storten en de slingerende asfaltweg
wordt een stromende rivier. De ruitenwissers kunnen het geweld niet
aan en het zicht wordt steeds slechter. Ondanks het vele water blijft
de chauffeur als een bezetene het gaspedaal indrukken. Er ontstaan levensgevaarlijke
situaties en wederom moet ik hem verrot schelden om de auto op de weg
te houden. Mijn God, wat zou ik ondanks het weer graag op de fiets zitten.
Na bijna drie uur komen we aan in Mtwara. Karin is doodmoe en we doen
niet al te moeilijk bij de keuze van guesthouse. Dat heeft tot gevolg
dat we de volgende dag moeten verhuizen, aangezien de kamer in ons guesthouse
bij stortbuien tevens als zwembad dient. De eigenaar interesseert het
geen zier en geeft ons in het donker -natuurlijk valt de stroom uit
op zulke momenten- een emmer om het water op te vangen.
We worden de volgende ochtend uitstekend opgevangen in de Lutherse missiepost,
waar we een vierpersoonskamer en ontbijt krijgen voor een zeer redelijke
prijs. Het gaat iets beter met Karin, maar haar toestand is nog steeds
zorgwekkend.
Dezelfde dag nog ga ik naar een gespecialiseerd malaria-arts, dokter
Kapela, die ons tot onze opluchting volledig gerust stelt. De zwaarste
ziekteverschijnselen blijken juist na toediening van de medicijnen voor
te komen, Karin gaat niet dood en zal zeker beter worden de komende
weken. Hij vindt de foute diagnose van de dokter in Masasi onvergeeflijk,
maar geeft aan dat de medicatie (Metakelfin) juist en voldoende is geweest.
De dagen daarna gaat het steeds een stukje beter. Aanvankelijk is Karin
nog slap en heel snel moe, maar wel weer volledig aanspreekbaar. Ze
drinkt veel zoete thee en bouillon en houdt het eten zowaar binnen.
Het normale leven keert langzaam terug: ze loopt geheel zelfstandig
naar het toilet en begint na enkele dagen al weer een beetje te zeuren
dat we niks te lezen hebben en pakt mijn puzzelboekje af als ik even
niet oplet.
De dagen verlopen als in een ziekenhuis: traag, wachtend, rustend, vervelend
van het nietsdoen. Voor zover de situatie het toestaat genieten we van
de geweldige rust en stilte in de Lutherse missiepost. De staf is oprecht
bezorgd en behulpzaam.
Ons visum, dat woensdag 4 februari definitief afloopt, weet ik met enige
overredingskracht te verlengen. De immigratiedienstmedewerker vindt
dat we maar gewoon door moeten reizen; zijn baas heeft gelukkig iets
meer gevoel voor 'de geest van de regels', en staat ons een extra maand
toe bij wijze van hoge uitzondering.
In de dagen erna schijnt de zon elke dag iets meer, letterlijk en figuurlijk.
Op zaterdag wandelen we 's morgens samen de twee kilometer naar het
internetcafé en 's middags naar de markt. Daarna is Karin weliswaar
uitgeput, maar ze heeft het toch maar gedaan.
Terwijl zij elke dag een stukje beter wordt, gaat het met de wond op
een van mijn tenen steeds slechter, ondanks ontsmettende tonics, zalfjes
en antibioticacrème. De weken geleden in Songea opgedane wond
heeft mijn teen in formaat verdubbeld, de pijn wordt heviger en lopen
steeds moeilijker. Na drie dagen uitstellen ga ik samen met Karin naar
de dokter, die antibiotica voorschrijft. Maar eerst moet gekeken worden
of er nog pus in de wond zit. Met afgrijzen zie ik een lange holle naald
in de richting van het grote rode kloppende monster gaan. Dan kan ik
het niet meer aanzien en wend het hoofd af. Terwijl ik mijn kiezen voel
kraken en mijn ogen langzaam uit hun kassen rollen, draait de dokter
het folterapparaatje eens flink rond -ruimte zat zou je zeggen- en trekt
ondertussen aan de zuiger. Geen pus, alleen bloed. Gelukkig. Want anders
had er ook nog eens gesneden moeten worden. En met mijn afwijking (narcose
en pijnstillers werken onvoldoende) heb ik dat liever niet.
Met de pillen op zak lopen we terug naar de missiepost. Nu ben ik degene
die strompelt en heeft Karin de rol van begeleider overgenomen.