Frank van Rijn kan trots op ons zijn (deel 3)

kinderen bij ons guesthouse

Tunduru is een klein mijnbouwstadje, vol winkeltjes met diverse soorten edelstenen zoals smaragd, robijn, diamant, tijgeroog en saffier. Vanwege het regenseizoen en de daarbij horende onbereikbaarheid van Tunduru zijn alle winkeltjes tijdelijk gesloten. Ondanks onze jubileumdag (acht jaar getrouwd) hadden we toch niets willen kopen, we missen dus niks.
We krijgen onverwacht bezoek van een immigratie-officier, die ons streng toespreekt: "Waarom hebben jullie je bij aankomst in Tunduru niet gemeld bij het immigratiekantoor?" Het is de eerste keer in ruim drie maanden dat we deze vraag krijgen in Tanzania en er is ons nooit verteld dat dit zou moeten. Hij begrijpt er niets van, en wij ook niet. We vermoeden te maken te hebben met een overijverige ambtenaar. 's Avonds treffen we hem aan de borrel in het naburige Camp David-cafe. Hij is net als iedereen erg nieuwsgierig naar het leven in Nederland. We vertellen er uitgebreid over en maken het verhaal niet al te rooskleurig: hard werken en weinig vrije tijd en zo. Hij knikt steeds begrijpend en zegt dat zijn landgenoten erg van vakantie (lees: nietsdoen) houden. Als hij opmerkt dat we in Nederland na een dag hard werken tenminste nog lekker kunnen afkoelen in ons eigen zwembad, blijkt de cultuurkloof toch weer groter dan we dachten.
Ons guesthouse heeft een multifunctioneel karakter: naast kamerverhuur vindt er kledingreparatie plaats, worden er tomaten gesorteerd en functioneert het als opslagruimte voor genoemde producten. Maar het is er gezellig, er is elektriciteit en stromend water.

Na twee dagen lekker klungelen stappen we op de fiets voor de laatste 210 kilometer van de Frank-van-Rijnroute. Voor de niet-kenners: Frank van Rijn is een Nederlandse fietser die bijna de hele wereld heeft rondgefietst. Hij houdt erg van stille, onverharde weggetjes en de zon; hij schuwt moeilijke routes niet en heeft een hekel aan druk verkeer en regen. Hij heeft vele boeken geschreven over zijn avonturen, in een humoristische stijl, en zou de door ons gekozen route ongetwijfeld heerlijk vinden. Buiten het regenseizoen wel te verstaan.

Frank van Rijn bezig met zijn favoriete hobby

Diverse mensen hebben ons verzekerd dat het resterende deel naar Masasi iets beter begaanbaar is. We twijfelen daar al snel aan wanneer we na een hobbelige klim een lange zandbak induiken. Tussen het fietsen door moeten we regelmatig tien minuten tot een kwartier lopen, de fietsen door het rulle zand meeslepend. Als ik op een heuveltje vol aanzet, breekt mijn ketting. Met enkele schakeltjes minder en twee vette handen rijker rijden we even later over een smal paadje langs de lemen huisjes, een lokale sluiproute om het zand van "de grote weg" te vermijden.
Na het dorp volgt meer zand en nog meer zand. Maar gelukkig is het droog en eerlijk gezegd hebben we liever zand dan modder. Bij de brug over de Makungwe worden we door een plotseling opduikende militair gesommeerd door te rijden wanneer we een foto willen maken. Zelfs de rivier mag niet gefotografeerd worden, ongetwijfeld een belangrijk militair object.
De weg is heuvelachtig en blijft slecht. De temperatuur schommelt tussen de 30 en 34 C in de schaduw. Tijdens een pauze ontdekken we de kleinste kikker ter wereld: formaat pinknagel. Even daarvoor zagen we reuzenslakken de weg oversteken, ter grootte van een flinke bidon. De mangobomen zijn hier helaas helemaal leeg. We naderen het gebied van de cashewnoten, ook lekker. Tot onze spijt zijn we te vroeg (of te laat zo je wilt) voor de oogst.

We maken lange dagen op dit traject, meestal zitten we rond de zes tot zeven uur op de fiets of lopen er naast, de rustpauzes niet meegerekend. Na enkele afdalingen fietsen we langs moerassen, waar duizenden vlinders om ons heen dwarrelen, in even zovele kleurcombinaties.
Na het dorp 'Maji Maji' hebben we een korte ontmoeting met een Amerikaanse missionaris. Hij beweert hier vorig jaar nog twee hongerige leeuwen te hebben geschoten en belooft ons minder zand. Deze belofte komt uit, waarna we onze intrek nemen in het slechtste en goorste guesthouse tot op heden. Hier is een kakkerlakkenachtervolging zinloos, het zijn er te veel. Nog 130 kilometer, we gaan het halen!

Na een zweterige nacht in een erbarmelijk slecht bed fietsen we door een prachtig landschap: achter de akkertjes en lemen huizen torenen onze eerste "kopjes" zich af tegen de horizon. Deze granieten bergen hebben de vreemdste vormen, van plumpudding tot slangenkop. Een familie vervetapen steekt nog even snel de weg over als we hen naderen.

'Koppie' in het landschap

Na het zand van gisteren rijden we vandaag voornamelijk over wasbord, wat in dit continent eigenlijk de naam "golfplaat" verdient. Om onze licht geïrriteerde nieren te ontzien, proberen we zoveel mogelijk te staan. We hebben deze week veel hoogtemeters verloren, met als gevolg de nadelen van de broeierig klamme Afrikaanse zomer. Voor het eerst deze reis willen kleine wondjes niet meer helen maar groeien ondanks betadinezalf uit tot pusspuitende etterwonden.
Tijdens een lange klim steekt een felgroene kameleon vlak voor ons de weg over, wiegend met het tempo van een slak. Het is een groot exemplaar. Gefascineerd maken we een foto, terwijl de lokale bevolking niet-begrijpend onze belangstelling gadeslaat.

kameleon

Via een aantal vervelende stukken zand bereiken we na zes uur hobbelen het dorp Mangaka. De kamers in het guesthouse zijn helaas weer bloedheet door de volle zon op het golfplaten dak. We drijven die nacht ons bed bijna uit.

De laatste dag is slechts 58 kilometer en het hadden er ook niet meer moeten zijn. Lichamelijk en mentaal zitten we tot op het bot; vooral Karin voelt zich erg slap en heeft het helemaal gehad. In de hitte maken we stompzinnig onze meters, over golfplaat, door kuilen en moddergeulen, en aan het eind van het traject weer veel te veel zand. Na ruim vijf uur ploeteren zonder enige eetlust bereiken we onze voorlopige eindbestemming: Masasi. Wanneer we in de verte het asfalt zien liggen, springen de tranen ons in de ogen....

En dan volgt de onvermijdelijke vraag: waarom kiezen we voor deze moeilijke route? Tja, die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Waarom gaat een klimmer naar de top van een berg? De klimmer zegt: "Omdat de berg er is." Zo is het ook een beetje met ons. De weg, of wat er voor door moet gaan, is er.
En de omgeving en natuur langs zo'n weg is over het algemeen bijzonder mooi en onaangetast.
En er is bijna geen verkeer.
En er zijn geen toeristen.
En bijna niemand doet het.
En er is geen toeristenindustrie.
En het is een interessante confrontatie met je eigen grenzen.
En je waardeert na zo'n rit het asfalt en de relatieve luxe van een grotere plaats of stad meer dan ooit.
En wat zijn we eigenlijk stoer!

kinderen