|
Frank van Rijn kan trots op ons zijn (deel 2)
's
Morgens staan we om 6.00 uur op want vanaf half acht gaat de school
beginnen en moeten we weg zijn. Al voor zessen wordt onze nachtrust
verstoord door het gekletter van de regen op het golfplaten dak. Om
7.00 uur komen de eerste kinderen, kletsnat van de regen, binnendruppelen.
Met grote ogen kijken ze ons aan, te verlegen om iets te zeggen. De
eerste wazungu van zo dichtbij!
Er is vrijwel geen verkeer op deze A19, wat wel en niet verwonderlijk is. Het is de enige oost-westverbinding in het zuiden, maar het wegdek is erbarmelijk en gevaarlijk. Na twee uur ploeteren zien we slingerende autosporen in de modder, gevolgd door een Toyota 4wd pickup, die de ene berm na de andere raakt. De auto blijkt bij een groep wegwerkers te horen. Even later zien we ze terug wanneer ze ergens zand in de bak aan het scheppen zijn. Als ik ze vraag: "Barabara wapi?" (Waar is de weg?) kunnen ze het grapje niet waarderen.
We passeren
een tweede wildcorridor tussen het Selous en Niassa Park en zien welgeteld
één baviaan die zich te pletter schrikt als hij ons plotseling
hoort. We bereiken aan het eind van de dag en na 70 kilometer hard werken
Matamanga en installeren ons in een nog te openen guesthouse, terwijl
dertig kinderen ons aanstaren alsof we van Mars komen.
Twintig kilometer
genieten we van een redelijk effen weg, met mestballen-rollende-kevers,
felgroene kameleons en over ons hoofd duikende neushoornvogels. Er zijn
zowaar enkele vrachtwagens en lokale fietsers, dat geeft hoop op onze
kansen. Maar al snel is het met de pret gedaan: de harde weg verandert
weer in een zandbak. Zowel klimmen als dalen moeten we lopend volbrengen.
En dat terwijl we fietsers zijn en geen wandelaars!
We trekken
de fietsen de modderberm in, maar dat helpt niet veel. De grond is boterzacht
en we zakken tot onze enkels weg. Uit nood geboren houden we een mango-pauze.
In de stromende regen slaan we een flink gat in onze gratis voorraad
en wachten af wat de goden nog in petto hebben. Verderop staat een vrachtwagen
tot de assen in de modderrivier; ook voor hem is er geen doorkomen aan.
Tunduru is
de grootste plaats op het onverharde traject. We zullen hier twee dagen
blijven om uit te rusten en de fietsen eens lekker te verwennen. We
zijn over de helft, "nog maar" 210 kilometer te gaan naar
het gemak van het zwarte lint. Gaan we het halen?
|