Frank van Rijn kan trots op ons zijn (deel 2)

logeren op school

's Morgens staan we om 6.00 uur op want vanaf half acht gaat de school beginnen en moeten we weg zijn. Al voor zessen wordt onze nachtrust verstoord door het gekletter van de regen op het golfplaten dak. Om 7.00 uur komen de eerste kinderen, kletsnat van de regen, binnendruppelen. Met grote ogen kijken ze ons aan, te verlegen om iets te zeggen. De eerste wazungu van zo dichtbij!
Het is de eerste dag na de zomervakantie, maar het ziet er naar uit dat deze nog iets langer gaat duren. Om 7.30 uur zijn slechts vijftien van de honderd kinderen gearriveerd. Om integratie tussen de stammen te bevorderen is het in Tanzania de regel dat slechts 20% van een school uit lokale kinderen mag bestaan. De overige 80% moet uit de wijde omgeving komen. Wanneer we een kwartier later chapati's kopen in het dorp, lopen schoolmeester en kinderen overal rond, de school is verlaten.

Na een half uur glijden en fietsen houdt de regen op en dient zich een nieuwe hindernis aan: zand. Afwisselend lopen we 300 meter, fietsen een stukje om daarna te stranden in de volgende zandbak. De kettingen kraken ondanks de smeerbeurt en de achterderailleurs dreigen in staking te gaan. Tijdens de eerste chapati-pauze veeg ik de boel schoon en gooi er nog wat olie tegenaan. Na vele wandelende takken zien we voor het eerst een wandelend blaadje lopen, een fantastische vermomming.

dit soort borden kennen ze niet in Afrika

Er is vrijwel geen verkeer op deze A19, wat wel en niet verwonderlijk is. Het is de enige oost-westverbinding in het zuiden, maar het wegdek is erbarmelijk en gevaarlijk. Na twee uur ploeteren zien we slingerende autosporen in de modder, gevolgd door een Toyota 4wd pickup, die de ene berm na de andere raakt. De auto blijkt bij een groep wegwerkers te horen. Even later zien we ze terug wanneer ze ergens zand in de bak aan het scheppen zijn. Als ik ze vraag: "Barabara wapi?" (Waar is de weg?) kunnen ze het grapje niet waarderen.

Karin in de modder

We passeren een tweede wildcorridor tussen het Selous en Niassa Park en zien welgeteld één baviaan die zich te pletter schrikt als hij ons plotseling hoort. We bereiken aan het eind van de dag en na 70 kilometer hard werken Matamanga en installeren ons in een nog te openen guesthouse, terwijl dertig kinderen ons aanstaren alsof we van Mars komen.

De volgende ochtend begint goed, beiden verfrist door nachtelijke dromen over taartjes en Hollands asfalt. De zon schijnt en we pletten een drie centimeter kleine schorpioen in ons dagboek. Wat wil een mens nog meer?

mestkevers

Twintig kilometer genieten we van een redelijk effen weg, met mestballen-rollende-kevers, felgroene kameleons en over ons hoofd duikende neushoornvogels. Er zijn zowaar enkele vrachtwagens en lokale fietsers, dat geeft hoop op onze kansen. Maar al snel is het met de pret gedaan: de harde weg verandert weer in een zandbak. Zowel klimmen als dalen moeten we lopend volbrengen. En dat terwijl we fietsers zijn en geen wandelaars!
Na anderhalf uur zweten in het zand kunnen we steeds iets vaker op de fiets zitten, de zandlaag wordt dunner, de grond harder. Helaas doemt dan een oude plaaggeest op: recht voor ons hangt een zwarte, dreigende lucht met onweersflitsen. Dat belooft niet veel goeds. Onze hemel, houdt het dan nooit op?

Het is nog dertig kilometer naar de volgende overnachtingplaats, wanneer de bui losbarst. En het wordt een echte tropische stortvloed. We klimmen in onze klamme regenjasjes met knarsende kettingen langzaam omhoog, een lange helling op. Voor ons op de weg zien we smalle stroompjes water als een slang naar beneden kronkelen. We wijken uit naar links en rechts om ze te ontwijken maar er is geen beginnen aan. Als een vervaarlijk uitdijend monster veranderen de lieflijke stroompjes in enkele minuten in een brede, roodbruine rivier. De weg is weg. Wat we in Nederland geen weg zouden noemen maar een zandpad, wat hier in Tanzania de A19 heet, is veranderd in een kolkende rivier. Fietsen is onmogelijk. We waden tegen de harde stroom in over de drassige bodem, terwijl het water in golven over onze voeten spoelt. Het is onwezenlijk en moeilijk te bevatten: voor ons uit is zien we honderden meters rivier waar tien minuten geleden nog een soort van weg was.

De weg is weg. Wapi barabara?
De weg is weg. Wapi barabara?

We trekken de fietsen de modderberm in, maar dat helpt niet veel. De grond is boterzacht en we zakken tot onze enkels weg. Uit nood geboren houden we een mango-pauze. In de stromende regen slaan we een flink gat in onze gratis voorraad en wachten af wat de goden nog in petto hebben. Verderop staat een vrachtwagen tot de assen in de modderrivier; ook voor hem is er geen doorkomen aan.
Een half uur later houdt de regen even plotseling op als hij begon. Het waterpeil zakt zienderogen en al snel kunnen we weer lopen. De andere kant van de heuvel heeft een rotsbodem, hier kunnen we eindelijk weer fietsen. Daarna blijft het een tijdlang tobben met afwisselend zand, stenen en modder. De laatste kilometers naar Tunduru zijn zowaar effen en droog. Het lijkt er zelfs op dat het hier niet eens geregend heeft.

tegen betaling poetsen deze mannen onze fietsen

Tunduru is de grootste plaats op het onverharde traject. We zullen hier twee dagen blijven om uit te rusten en de fietsen eens lekker te verwennen. We zijn over de helft, "nog maar" 210 kilometer te gaan naar het gemak van het zwarte lint. Gaan we het halen?

(lees verder in deel 3 over de avonturen van Jip en Janneke in de zandbak)