|
Frank van Rijn kan trots op ons zijn (deel 1)
Het plots ingezette regenseizoen zorgt voor een fleurig groene omgeving. De bermen zijn geurig en bont van kruiden en bloemen, de hoog opschietende bamboe wordt overal als schuttingmateriaal gebruikt. Sinds lange tijd zien we weer kinderen op zelf gefabriceerde houten fietsen en steppen; na drie pogingen mogen we er eindelijk een foto van maken.
Voorbij Njombe fietsen we tientallen kilometers door doodse productiebossen en felgroene theeplantages,
Na enkele flinke afdalingen arriveren we, een week na Iringa, in het broeierig warme Songea, de grootste plaats in het zuidwesten van Tanzania.
Hier nemen
we twee dagen rust voor we aan de onverharde etappe van 500 kilometer
naar Masasi beginnen. Als we toen geweten hadden wat ons te wachten
stond....
Bij elke pauze verorberen we tien mango's, het sap druipt van onze kinnen. We fietsen op een soort 'corniche', een slingerende weg over een heuvelrug, met voortdurend prachtige vergezichten naar alle kanten. Op de hele dag passeren ons nog geen tien auto's. Na 70 kilometer stoppen we in het dorp Namtumbo, vol vertrouwen in de rest van de ruim 400 kilometer.... Dat vertrouwen slaat de volgende ochtend al snel om in twijfel: de weg wordt de helft smaller en na tien minuten moeten we de fietsen door rul zand slepen.Fietsen en lopen wisselen elkaar af. We rijden 20 kilometer door een wildcorridor, die het enorme Selous National Park van Tanzania verbindt met het Niassa Park van Mozambique. Daarna begint het te regenen. De aanvankelijke miezer zwelt aan tot een stevige stortbui, die van geen wijken weet. Aan een deel van de weg worden onderhoudswerkzaamheden gepleegd. Op de hobbelige maar harde ondergrond heeft men een vijf centimeter dikke laag van klei gemengd met zand gegooid. Het regenwater wordt hierdoor opgezogen en kan niet weglopen.
Na dertig meter glibberen staan we stil: banden, remmen, ketting, tassen, derailleurs, alles zit onder de vette modder. De wielen kunnen niet meer draaien; met stokjes peuren we de grootste klodders van de banden en uit de bewegende delen en stappen weer op. De regen komt nu met bakken uit de hemel en na tien meter staan we weer stil. Dit gaat niet goed. Er zit niets anders op dan het peurproces te herhalen. Honderd meter verder ga ik voor het eerst deze reis onderuit op de bollopende glibberige weg. Ik lig languit in de modder, maar heb gelukkig niets beschadigd. Iets verderop ligt een konvooi van drie vrachtwagens in de berm van de weg. Zelfs voor hun gigantische banden is het onmogelijk grip te houden op deze glijbaan. Zonder rijplaten, maar met een schop en wat afgebroken takken trachten de bijrijders vergeefs de zware wagens weer op de weg te helpen.
Sleurend
aan de fietsen passeren we de verbaasd kijkende mannen, om honderd meter
verder voor de zoveelste maal te stranden voor een peurbeurt. In de
daarop volgende afdaling gaat Karin hard onderuit. Haar stuur slaat
om en een been raakt klem in het frame. Krijsend van pijn en vermoeidheid
trekt ze zich onder de fiets vandaan en laat zich huilend achterover
vallen in de modder. Ik help haar weer op de been en breng de fiets
in orde. Een remkabel is losgeschoten en het stuur staat helemaal scheef.
Alles zit onder de rode smurrie, vermengd met zand. We lijken wel Indianen.
Terwijl het weer opklaart kijken we elkaar vertwijfeld aan en zijn tegelijkertijd
blij dat we (nog) niets gebroken hebben. Op de drie vrachtwagens na
is er geen enkel verkeer, dus meeliften in geval van echte nood is onmogelijk.
En er is geen weg terug, ons aflopende visum staat dat niet toe.
|