Wanneer we
in Dar es Salaam aankomen hebben we een week te overbruggen voor we
op Zanzibar mijn ouders zullen ontmoeten, voor een gezamenlijke eilandvakantie
van twee weken. Dar maakt haar faam van levendige stad, gezellige bedrijvigheid
en ontdekkingsmogelijkheden niet waar. Daarvoor is het te netjes, te
georganiseerd en vooral te doods tijdens feestdagen en in de avonden.
We maken dankzij Ramadan en Suikerfeest drie zondagen mee in de stad,
drie dagen waarop alles gesloten is en er geen kip op straat loopt.
Behalve dan wat echte kippen, maar goed. Ook 's avonds lijkt iedereen
zich opgesloten te hebben en is er weinig te beleven.
We doen een aantal verstandige dingen: nemen medicijnen in tegen een
eventuele bilharzia besmetting, informeren bij de Tanzaniaanse immigratiedienst
naar het verlengen van het visum en gaan bij de Mozambiquaanse ambassade
langs. En zoals dat hoort, bezoeken we het Nationale Museum en de oudste
gebouwen van de stad. De volledig vernieuwde vismarkt is een feest voor
het oog (en een straf voor de neus). De houten vissersbootjes varen
af en aan, de hoogste bieder is koper. De vangst wordt in tassen van
palmblad naar de markt gebracht, waar mannen en vrouwen met scherpe
messen de boel ontschubben en fileren. Onderdeel van de vismarkt zijn
tientallen hoteli's, kleine openluchtrestaurantjes waar dikke kokkinnen
rijstsoep met vis klaarmaken. We laten het ons smaken en worden beiden
de volgende dag beloond met een fijne portie diarree. Toch maar weer
zelf koken.
Op vrijdag nemen we de boot naar Zanzibar. De snelle (anderhalf uur)
is twee maal zo duur als de langzame (twee en een half uur). We nemen
de laatste want we hebben geen haast. De geplande twee en een half worden
er ruim vier. De boot is echt langzaam, we hoeven nog net het water
niet in om te duwen. En dat terwijl het schip "Maendeleo"
is gedoopt, wat zoveel als "Vooruitgang" betekent.
De oude stad van Zanzibar, Stonetown, is nog mooier dan de plaatjes
beloofden: authentieke huizen, gele zandstrandjes en wuivende palmbomen
achter een blauwgroene baai. Ondanks de plattegrond zijn we al snel
verdwaald in de honderden smalle steegjes zonder straatnaambordjes.
Maar dat hoort bij Stonetown.
Accommodatie is twee tot vijf maal duurder dan op het vasteland van
Tanzania. In het Florida-guesthouse weten we 50% korting te bedingen
op twee kamers voor een week, dankzij het laagseizoen.
Daarna duik ik met keelpijn en 39 C koorts mijn bed in. De grote temperatuurverschillen
tussen de aircogekoelde internetcafés in Dar en de hitte daarbuiten,
hebben me de das omgedaan. Karin is inmiddels grotendeels van de in
Bagamoyo opgelopen rode pukkels af, mijn borst zit er nog vol mee. De
volgende dag is mijn koorts weg en mag ik van dokter Karin het bed verlaten.
In de Forodhani-gardens eten we onze buiken rond bij de kraampjes vis-
en vleesbarbecue en lessen onze dorst met ijskoude suikerrietcitroensap.
En dan is
het bijzondere avondje aangebroken; het avondje van Sinterklaas in de
vermomming van pa en ma Mak. Zonder een druppel regen is het weerzien
nat en vooral warm en emotioneel. Een jaar is lang, het is heerlijk
om elkaar weer te zien en vast te houden. In het hotel bekijken we de
ontzagwekkende hoeveelheid lekkernijen, reservematerialen en lieve kaartjes
die zij (zonder overgewicht??) vanuit Nederland langs de diverse douanes
hebben gesmokkeld. Terwijl Karin elke drie minuten naar de w.c. rent,
kletsen we honderduit, doen spelletjes en drinken een Hollandse borrel.
Het lijkt alsof we elkaar gisteren voor het laatst zagen. Het eten in
de Forodhani-gardens is beroemd en heerlijk, maar blijkt een forse aanslag
op Karins steriele ingewanden. Nu is het haar beurt om met ruim 39 graden
koorts het bed in te duiken. Later vernemen we dat het gezellige openluchtgebeuren
met de tientallen smulkraampjes de hele maand april gesloten was wegens
de uitbraak van cholera. Het hygiënebesef laat op dit continent
nogal eens te wensen over.
Mede dankzij Idriss, die we op de boot naar Zanzibar hebben ontmoet,
hebben we daarna twee heerlijke weken. Idriss heeft ooit een jaar in
Nederland gewoond en spreekt onze taal een beetje. Hij helpt ons met
goedkope accommodatie aan de oostkust, neemt ons mee voor een maaltijd
bij zijn schoonfamilie en rijdt ons met zijn auto het halve eiland over.
De verplichte 'spicetour" is een groot succes. Zanzibar staat bekend
om de vele specerijen die er geteeld worden. We ruiken ons helemaal
suf aan de vanille, kruidnagel, nootmuskaat, gember, kardemom, kaneel,
jodium en citroengras. We leren de groei- en bloeiwijze van de kruiden
en specerijen en worden versierd met hoeden, brillen, kettingen, tasjes
en stropdassen van palm- en ananasblad. Tot slot eten we de buikjes
rond aan diverse vruchten.
Afwisselend
zijn Karin, pa en ma een dagje ziek, zwak of misselijk, maar niet ernstig
genoeg om niet een bezoek te brengen aan het 'Prisoneiland', het oude
fort en de musea.
Aan de oostkust verblijven we in Jambiani, in het simpele guesthouse
Manufaa. Hier snorkelen we bij vloed en lopen met eb langs de vele zeewiertuintjes
die de bewoners in zee aanleggen. Karin, pa en ma laten zich met henna
tatoeëren, ik laat me aanvallen door de mooiste zee-egel die ik
ooit zag: formaat voetbal, lange zwarte stekels, blauwe lijnen en rood
oplichtende lampjes. Het lijkt wel een buitenaards ruimteschip, maar
dan eentje die zijn stekels afschiet wanneer ik te dicht nader.
We huren twee extra fietsen voor een dag en gaan er met zijn vieren
op uit. Gelukkig is het niet erg koud, waardoor de helft van het peloton
al na 8 kilometer steenslagpad in de schaduw van een boom zit uit te
hijgen. Het strand van het plaatsje Makunduchi blijktna 16 kilometer
de maximaal haalbare afstand, maar de pret is er niet minder om.
Op onze laatste dag aan de oostkust neemt Idriss ons mee naar Kizamkazi,
aan de zuidwestkust van het eiland. We regelen een boot, terwijl pa
en Karin hun zakken volstoppen met schelpen. Na een kwartiertje varen
vinden we het doel van onze tocht: dolfijnen! Karin, pa en ik gaan met
de snorkels op het water in om zo dichtbij mogelijk te komen. Dat blijkt
niet moeilijk want de dolfijnen zijn niet bang voor mensen. Vijftien
stuks zwemmen om ons heen, komen soms recht op ons af om op het laatste
moment met een sierlijke beweging uit te wijken. Op soms anderhalve
meter afstand zijn de ogen, vinnen, littekens en staart goed te zien.
Ze spelen met elkaar, achtervolgen, duiken en komen als een torpedo
naar de oppervlakte. We horen ze "praten" met hoge piepgeluiden
en zien ze vlak naast ons ongegeneerd hun behoefte doen. Aanraken is
er niet bij, ze zijn iets sneller en behendiger dan ik, wanneer ik het
toch probeer.
Na deze belevenis snorkelen we nog een tijdje om daarna terug te keren
naar het guesthouse.
Dan volgt
al weer te snel het afscheid van pa en ma. De vlucht is weliswaar ernstig
vertraagd, maar uiteindelijk stappen ze in de zilveren vogel naar huis,
ons blij en tegelijk verdrietig achterlatend. Het was een geweldig fijn
weerzien, met zoals elke keer een pijnlijk afscheid.
Maar de herinneringen zijn goed, de herinnering aan een dolfijne vakantie!