"But
it's very cheap!"
"Yeah, for you it is, not for us wazungu,"
antwoord ik overdreven grimmig.
"C' mon, you have to do
it now you're here. Ye can't leave without going there!"
"Oh yes, we can. Hakuna matata, we're not crazy. At least, not
crazy enough."
"I will really make you a very special price, so you'll never forget
me."
Een volhouder.
"We've forgotten your
face before we're around the corner, pole sana,"
en we lopen verder. Weg van de touts, hustlers, hawkers, aanbrengers
en gidsen die ons een safari proberen te verkopen. Een klimsafari naar
onze 'queen of striptease'. We zouden het graag doen, maar de prijs
is absurd en het absoluut niet waard. Ben je in Europa vrij om elke
berg te beklimmen die je wilt, hier ben je als non-resident onverbiddelijk
verplicht 800 tot 900 dollar per persoon neer te tellen alvorens je
een stap verzet. Een bedrag waar we samen minstens twee maanden van
kunnen reizen en leven. Maar niet getreurd: het is technisch geen interessante
klim, die in een file van iets te dikke blanken grotendeels in de wolken
wordt afgelegd, getuige de foto's bij touroperators.
In plaats daarvan fietsen we door een zeer afwisselend landschap: het
ene moment tropisch groen, het andere moment kurkdroge savanne. Over
glad asfalt passeren we de Pare Mountains, eerst de noordelijke, gevolgd
door de zuidelijke. De natuur is een cadeau voor het oog: baobabs, neushoornvogels,
felgekleurde agama's, kanaries, mongooses, cactussen, uitgestrekte sisalplantages,
adelaars, oude-sok-vormige nesten van brilwevers, de brilwevers zelf,
slangen, termietenheuvels in allerlei vormen. We overnachten in piepkleine
dorpjes waar we de attractie van het jaar zijn. Na het Pare-gebergte
slingert de weg zuidelijk langs het Usambara gebergte. Dit gebergte
oogt minder groen en veel ruiger dan de vorige twee. We zien steile
klippen die recht oprijzen uit de golvende hoogvlakte waar we op fietsen.
Na 40 kilometer arriveren we in het snikhete Mombo. Er staat geen zuchtje
wind. Een ijskoud drankje moet ons moed geven voor de 35 kilometer lange
klim naar Lushoto, een dorp hoog in het Usambara gebergte gelegen. Belangrijkste
reden voor deze noordelijke afdwaling is een uitzichtpunt, dat volgens
kaart en boek een van de mooiste van Afrika is. We moeten eerst alleen
nog even 35 kilometer klimmen en daar zien we tegenop in de hitte. Het
water in de laatste dorpen was van matige kwaliteit en we hebben beiden
zwabberbenen. Na twee kilometer staan we in de schaduw van een boom
en kijken elkaar aan.
"Hoe gaat het met je?",
vraag ik Karin, terwijl ik het antwoord op haar gezicht al kan aflezen.
"Pfff..., ik wil niet
meer." Het huilen staat haar
nader dan het lachen.
Ik besluit haar eens flink op te beuren: "Kom,
we hebben er al 2 gehad, nog maar 33 kilometer te gaan."
Ze kijkt me vernietigend aan, neemt een slok warm water en rijdt verder.
We vervolgen de veldslag over het slingerende pad omhoog en duiken 3
kilometer verder een koele beek in. De dorpskinderen maken er een spannende
dag van door zo dicht mogelijk langs de twee blanke fietsers te rennen.
Na 15 kilometer zit ik uitgeput onder een boom. Het is Karins beurt
om mij een steuntje in de rug te geven. Met een misselijk gevoel in
m'n buik kijk ik in het dal naar het kolkende water van een riviertje
dat netjes de wet van de zwaartekracht volgt en vraag Karin waarom wij
dat niet ook gewoon doen.
"Jij wou op wereldreis,"
zegt ze met een flauwe glimlach om de lippen.
"Maar toch niet perse
naar Lushoto?"
"Fietsen joh, niet zeuren. We zijn al bijna op de helft."
Karin voelt zich een fractie beter dan ik en de rollen zijn ineens omgedraaid.
Het slap weeïge gevoel in onze buiken maakt dat we al uren niet
meer gegeten hebben, een doodzonde wanneer je een langdurige inspanning
moet leveren. Ik dwing mezelf tot een hap van een andazi, maar spuug
het net zo snel weer uit. Eten gaat echt niet. Dan maar weer op de fiets.
Een baviaan kijkt me meewarig aan vanuit zijn veilige plek hoog in een
boom, terwijl ik nostalgisch hunker naar het koele, vlakke en bacterievrije
Nederland. Met de blik op oneindig en het verstand op nul gaat er een
uur voorbij waar ik geen enkele herinnering aan heb. De laatste kilometers
zijn gelukkig minder steil zodat we ons doel toch nog levend bereiken.
De volgende
dag is alle ellende vergeten. We voelen ons weer goed, terwijl we na
een flinke wandeling als een veldmaarschalk uitkijken over het veroverde
landschap. We zitten op een uitstekend rotsblok met links en rechts
van ons de overwonnen Usambara bergen. Recht voor ons in de diepte onderwerpt
de immense Masai-steppe zich aan onze vorsende blik.