Waggelende minaretten in Aleppo

Tussen de laatste tientallen katoenplantages, waar druk wordt geoogst, fietsen we onder een weldadig zonnetje ons lief geworden Turkije uit. Bij de grens met Syrië is het niet druk maar wel erg warm. Zou het bij de grens van het Midden-Oosten dan gelijk al warmer zijn dan in Turkije? Vreemd.
Na een exitstempel bij de Turkse grenspost fietsen we in gespannen afwachting door een woest niemandsland naar de grens van Syrië. In een groot kantoor vullen we bij het loket "Foreign visitors" het inreisformulier in. Gelukkig worden we met de bureaucratische rompslomp geholpen door een stel Syrische vrachtwagenchauffeurs, anders hadden we er twee dagen later nog gestaan. Na het formulier moeten we in een achteraf hok geld wisselen, terug naar het loket, naar een andere loket waar we visumzegels moeten kopen, dan naar de kassier die het grote belangrijke boek invult, terug naar het eerste loket waar een ander onze gegevens in het Arabisch in een tweede boek schrijft, en dan naar het loket waar een volgende beambte ons even later onze paspoorten met de gewenste stempels en zegels geeft. We zijn in Syrië en we mogen het land in!
Ook de bagagecontrole overleven we en we rijden het Midden-Oosten in. Het landschap lijkt nog droger en rotsachtiger te worden. De huizen zijn allemaal okergeel en lichtbruin, het merendeel met een muur eromheen in dezelfde kleur. De aanduidingen op de borden zijn in het Arabische schrift en we begrijpen er niets van. Bij een grote kruising zijn de borden gelukkig ook in het Engels. Net voor de avond valt rijden we Aleppo in, langs sierlijke flats met ingefreesde motieven in de natuurstenen gevels. Aleppo is een grote stad en we hebben geen flauw idee hoe we bij het gezochte hotel moeten geraken. Een stel Syriërs langs de kant van de weg is bereid ons te helpen, met gesloten beurs zo wordt duidelijk gemaakt. We fietsen achter Ahmet aan in zijn open busje; hij rijdt ons van hotel naar hotel maar het zijn telkens de duurdere toeristenhotels waar wij niet naar toe willen. Na enige tijd vinden we met zijn hulp hotel Al Rabei. We geven Ahmet toch een fooi, want hij heeft aardig wat kilometers moeten maken. Nog dezelfde avond lopen we door de vreemde stad en zijn binnen een half uur verdwaald, ondanks het kaartje van de stad dat de hoteleigenaar ons mee heeft gegeven. De Arabische lettertekens zijn voor ons onleesbaar. Met behulp van een motoragent weten we de weg terug te vinden. Voor een paar centen eten we een broodje falafel met salade en drinken nepbier en fruitsap.

soukh

We blijven drie dagen in Aleppo, een fantastische en sfeervolle stad. Overal in de stad zien we de verse Arabische broden hangen en liggen om af te koelen. Ze zijn zo groot als wagenwielen en smaken heerlijk. Ook een opvallend verschijnsel zijn de Amerikaanse vijftigerjaren sleeën, waarvan een groot deel als taxi fungeert. We slenteren uren door de Armeense wijk en de soukhs. De grote oude soukh met kruiden en stoffen is het leukst. Al lopend door de smalle overdekte straatjes proberen verkopers ons te verkleden als bedoeïen, worden we gecondoleerd met het overlijden van prins Claus en uitgenodigd door Allah Aldin en Magid Akkad, twee verkopers van zijden sjaals. Ze zijn Christenen binnen de Islamitische gemeenschap en compleet maf. Allah Aldin is, of doet zich knap voor als homofiel en heeft een oogje op mij. Hij steekt dat niet onder stoelen of banken, en als Karin even niet kijkt zit hij gelijk naast me en geeft me complimentjes. Zijn broer is hetero en tracht voortdurend Karin te versieren als ik even niet oplet. We lachen ons helemaal suf om hun gekke humor en de vrijzinnigheid waarmee ze zich staande houden binnen de Islamitische gemeenschap.

de broertjes Akkad

Aan het eind van de middag vinden we een winkeltje, natuurlijk het eigendom van Syrische Christenen, waar men alcohol verkoopt. Het assortiment bevat onder meer Syrische wodka, die we voor weinig geld maar eens gaan uitproberen. Samen met een jonge Poolse vent, die vanuit zijn thuisland een uitstekende fles gele Zubrowka (in de volksmond: bisonpies) heeft meegenomen, tetteren we de flessen langzaam leeg. Na anderhalf uur beginnen de minaretten van de moskee aan de overkant naar me te zwaaien. Verwonderlijk, dat deden ze in Turkije toch niet. Ik kijk nog eens goed, maar ze waggelen echt heen en weer. En die aardige Poolse vent kan ook maar niet stilzitten. Waren ze nou met z'n tweeën of was-tie alleen? Ik weet het niet meer. Maakt ook niet uit, het leven is hier prachtig…
Twee uur later lig ik met mijn hoofd op de harde rand van het toilet, ogen dicht, zweetdruppels op mijn voorhoofd. Het leven hier is helemaal niet mooi, het is moeilijk en zwaar.

Na een dag gedwongen echte rust, lopen we op de citadel van Aleppo. De grotendeels ingestorte burcht wordt volop gerestaureerd en is zeer indrukwekkend. Vanaf deze hoge plek hebben we een fantastisch uitzicht over het gekrioel, de gele taxi's, versierde bussen in Pakistaanse stijl en de bruingele huizen van de stad.
In ons hotel verblijven ook Ami en Aran, een Japanse vrouw die al acht maanden met haar zoontje van vijf jaar over de wereld reist. Aran is een pienter en energiek ventje, dat zichzelf Engels leert door met vreemde mensen te praten. Ook vecht hij erg graag en dat moet ik natuurlijk bezuren. We ontbijten gezamenlijk en worden uitgenodigd ooit in Tokyo bij hen langs te komen. Aangenomen!

Emy, Karin, Peter en Aran

Met behulp van een kaart van de provincie, gratis verkrijgbaar bij de toeristeninfo, fietsen we in de richting van Qal 'at Samaan. De kaart blijkt niet altijd te kloppen: plaatsjes op de kaart bestaan niet of we komen plaatsen tegen die niet op de kaart staan. De meeste borden zijn gelukkig zowel in het Arabisch als in het Engels. Het woeste Syrische landschap bestaat uit golvende rode grond die bezaaid ligt met keien en rotsblokken.

Borj Haidar

pauzeplekje bij Borj Haidar

Het laatste stuk naar Qal'at Samaan gaat in steile slingers omhoog. Bovenop de berg liggen de restanten van de pilaar waar de heilige Sint Simeon jaren op heeft gezeten. Hij was een van de grote religieuze persoonlijkheden uit de Byzantijnse tijd en zijn ascetische levensstijl een voorbeeld voor velen. Hij stond een zeer sobere levensstijl voor, het kloosterleven was voor hem reeds te luxe. Ook het contact met mensen hield hem weg van zijn ultieme doel: dichter bij God komen en onthechting van het wereldse leven. Hij bouwde een pilaar, om afstand te nemen van dit aardse leven en dichter bij God te komen. De pilaar was in eerste instantie ruim vier meter hoog, maar hij bleef daarmee bereikbaar voor mensen. Hij bouwde daarom een hogere pilaar en nog een hogere. Zijn hoogste pilaar werd de vierde: 40 meter hoog. In totaal zat hij 39 jaar op zijn pilaren en leefde zeer sober. Na zijn dood (459 na Christus) kreeg hij vele volgelingen. Op de plaats waar zijn pilaar stond werd in de jaren daarna een kerk gebouwd. We lopen tussen de prachtige restanten van de kerk en zitten op het fundament van zijn laatste pilaar.
Het valt niet mee je voor te stellen hoe het is om 40 jaar op een stenen pilaar te zitten en we moeten ongewild denken aan de paalzitters in Nederland. Zij trachten enkele dagen op een houten paal te blijven zitten en daarmee 'eeuwige' roem te verwerven in het Guinness Book of World Records. Dan maakt de 40-jarige inspanning die de heer Simeon leverde toch wat meer indruk.

Sint Simeon

We hebben veel respect voor de levenswijze van Simeon maar twijfelen sterk of dit het gedrag is dat God van mensen wil. Is het niet beter en zinvoller om iets met en voor mensen te doen in plaats van jezelf af te peigeren en in stilte en eenzaamheid een soort boete te doen?