Zijn naam was Umayyad Caliph
Al-Walid ben Abdul Malek
De eerste aanblik van de christelijke enclave
Ma'alula valt ons vies tegen. Na kilometers klimmen met harde tegenwind
op een te drukke weg met te veel honden, willen we niets anders dan
rust, stilte en vooral geen blaffende viervoeters. De herrie van de
bouw van nieuwe betonnen huizen waarmee we verwelkomd worden voldoet
niet aan die wens.
Wanneer we de kloof verder infietsen straalt
de grandeur van het echte Ma'alula ons tegemoet. Het eeuwenoude dorp
ligt op ruim 1500 meter hoogte ingeklemd tussen rotswanden aan het eind
van een brede kloof. De lichtblauwe en witte huisjes lijken half op
elkaar gestapeld tegen de rotsen te zijn geplakt. Op zoek naar een betaalbare
overnachting worden we doorverwezen naar het Mar Taqla klooster. Daar
worden we welkom geheten door een non. Ze mag geen kamers toewijzen,
dat is voorbehouden aan Mirjam, de moeder-overste. In afwachting van
haar terugkomst laten we de spullen achter en maken een wandeling door
het dorp. Het oude stenen klooster is in de 4e eeuw na Christus gebouwd
tegen de rotshelling aan de oostkant van het dorp. De overblijfselen
van de martelares Taqla liggen hier begraven. We lopen vanaf het klooster
de smalle kloof in aan het eind van het dorp. De wanden van de kloof
zijn op geheel westerse wijze beschreven en bespoten met graffiti. Het
eind van de kloof komt uit op een plateau, waar een nieuw viersterrenhotel
zich heeft genesteld, met uitzicht op het dorp en de vallei. Via een
andere kloof, waar zich diverse oude rotswoningen en tombes bevinden
wandelen we terug naar het dorp.
Via steeds smaller wordende straatjes proberen
we de hogere delen van Ma'alula te bereiken. De huisjes zijn hier letterlijk
half op en in elkaar gebouwd bij gebrek aan ruimte. De bewoners kijken
ons vreemd aan, niet gewend aan toeristen die de moeite nemen het authentieke
dorp in te klimmen.
Behalve de bijzondere bouw van Ma'alula is
er nog iets speciaals: de oorspronkelijke bevolking spreekt nog altijd
Aramees, de taal die in de tijd van Jezus gesproken werd. Het Aramese
schrift is inmiddels uitgestorven, slechts de gesproken taal bestaat
nog dankzij mondelinge overlevering.
Terug bij het klooster worden we deze keer welkom geheten door de teruggekeerde
moeder-overste. Ze wijst ons een prachtige kamer toe, die tegen de rotswand
is gebouwd. Een deel van de rots steekt gewoon de kamer in. We nemen
een heerlijk warme douche, steken de twee kaarsjes aan die klaarliggen
en voelen ons helemaal thuis. Het klooster blijkt niet gratis te zijn,
zoals ons was verteld, maar na overleg met moeders betalen we een aflaat
van 300 Syrische ponden, toch nog het equivalent van 12 oud-Hollandse
guldens. Het dienen van God is natuurlijk ook lastig met een lege maag.
De volgende dag fietsen we onder een heerlijk
zonnetje al vroeg het dorp uit. Het is koud op deze hoogte en op dit
uur: 6 graden Celsius. We klimmen langs de uitlopers van het Lubnan
Ash Sharqiyeh gebergte; de langgerekte geërodeerde rotsen steken
prachtig af tegen de staalblauwe lucht. Plotseling worden we tot stoppen
gedwongen door een automobilist. Een zwaargebouwde, morsige man stelt
zich voor als Muhamad Ahmad. Hij is journalist bij de Syrische televisie
en wil ons graag in het journaal hebben. We schrijven zijn telefoonnummer
op en zeggen er over na te zullen denken. Twee minuten later weten we
al dat we hem niet zullen opzoeken. Het voelt niet helemaal goed.
Het is een korte etappe naar de hoofdstad van Syrië en de laatste
tien kilometer vliegen we in een vloeiende afdaling door dorpjes en
langs verbaasd kijkende mannen in witte galabiya's. In sneltreinvaart
rijden we Damascus in en zijn, zoals wel vaker in grote steden, al snel
verdwaald. Na lang zoeken vinden we het toeristenbureau, dat op vrijdag
natuurlijk gesloten blijkt. Via aanwijzingen van behulpzame voorbijgangers
zitten we even later in het leukste en tegelijk een van de goedkopere
hotelletjes van Damascus: El Haramain. In een smal kasseienstraatje,
waar heel België jaloers op zou zijn, ligt dit 800 jaar oude hotel
verborgen. De scheefgezakte trappen kraken, de muren zijn van uitgehakt
grijs graniet, de vloeren zijn gemaakt van ingelegd marmer en de ramen
en deuren van de kamers sluiten geen van allen goed.
's Middags sloffen we naar de Umayyad Moskee, een van de oudste moskeeën
ter wereld (705 AD). Bij de centrale ingang naar het binnenplein, waar
alle Syriërs vrij in en uit lopen, worden we als buitenlanders
verwezen naar de ticketoffice. Van westerse toeristen wordt verwacht
dat ze even 150 pond per persoon op tafel leggen om de moskee in te
mogen, terwijl elke Syriër gratis naar binnen kan. Dit verschil
in behandeling zint ons natuurlijk niet en we zoeken naar een manier
om de speciale ticketmannetjes te vermijden. Bij de achterkant van de
moskee is ook een ingang, die hoofdzakelijk als uitgang gebruikt wordt
gezien de stroom mensen die er uit komt. Koelbloedig lopen we er naar
binnen en zonder problemen komen we op het grote binnenplein van de
moskee. Alles om ons heen is van gegraveerd marmer, veelkleurige mozaïeken
en bladgoud. Centraal op het plein staat de grote geldbank, op palen
gebouwd en geheel van bladgoud, te schitteren in de zon.
Met ogen op steeltjes en een meter kleiner
schuifelen we de moskee in. Hier is het een drukte van belang: kinderen
spelen alsof ze in de speeltuin zijn, ouderen lezen de Koran of staan
met elkaar te kletsen, mensen lopen te fotograferen en filmen, een enkeling
ligt te slapen. In een groen verlicht glazen huis, midden in de moskee,
ligt de tombe van de opdrachtgever van de bouw van de moskee: Umayyad
Caliph Al-Walid ben Abdul Malek. Mooie naam om te onthouden.
We trachten via onze visa-card Syrisch geld
op te nemen. Dat kan helaas niet bij een bank, maar wel bij winkels
die zaken doen met het westen. Bij een reisbureau krijgen we een redelijke
koers en we slaan ruim voldoende in. Het teveel wisselen we gewoon terug
in dollars, denken we
Op maandag lopen we de grote 'Commercial Bank of Syria' in om een deel
van de Syrische ponden om te wisselen in dollars, zodat we die in volgende
landen kunnen gebruiken. Na een half uur wachten zijn we eindelijk aan
de beurt. Bij de kassier zien we de stapels dollarbiljetten al liggen.
We worden geholpen door een afstandelijke man in een zeer net pak. Met
twee woorden geeft hij te kennen dat we geen dollars kunnen krijgen.
Misschien op de eerste verdieping kan het, we moeten vragen naar de
manager. Deze vertelt ons doodleuk dat we het wel kunnen vergeten; iedereen
kan dollars omwisselen in Syrische ponden, maar andersom is niet mogelijk.
"But why is this not possible?" vragen we hem zo beheerst
mogelijk.
"We don't sell dollars, we only buy them," is het korte antwoord.
"But why? You don't even like America!" Met wat cynische argumenten
betreffende de Amerika-haat die hier heerst trachten we hem uit zijn
tent te lokken.
Met de vele Syrische ponden hebben we nu een groot probleem: we krijgen
ze nooit op en in geen enkel ander land kunnen ze omgewisseld worden.
We proberen hem nogmaals over te halen.
"We can't use all these Syrian pounds, in a couple of days we'll
be in Jordan. What can we do with our money?"
"Well, you can spend it, burn it or throw it away."
We zijn nu echt goed kwaad. Stelletje inconsequente debielen hier. De
grootste hekel aan alles wat Amerikaans is, maar dol op de dollars.
We gooien er een laatste schepje bovenop.
"This is not an Islamic way to treat your guests! What about your
hospitality?"
Hij is onvermurwbaar, we worden weggestuurd met een lulverhaal over
het beleid van de bank.
Hotel El Haramain helpt ons uit de brand. Ze wisselen tegen een redelijke
koers onze ponden om in dollars. Damascus ziet er gelijk weer wat vriendelijker
uit en we lopen ons suf door de grote stad. De oude stationshal van
de spoorwegen, de antieke wagons van de Sultan Abdul Hamidtrein, de
soukhs, het Azempaleis, de oude stadsmuren met de authentieke stadspoorten,
een 900 jaar oud badhuis; in drie dagen tijd zien we de halve stad.
We voelen ons hier thuis en dat heeft ook te maken met het gebrek aan
criminaliteit. Je kunt je tas op straat zetten en een half uur later
terugkomen hij staat er nog steeds. Of dit nu een gevolg is van
de eerlijkheid waar de Koran toe verplicht, of van de zware lichamelijke
straffen op stelen weten we niet. Maar het is wel prettig.
Na vier dagen nemen we afscheid van Damascus.
Op de valreep ontmoeten we een stel sympathieke Amerikanen in ons hotel,
waaronder Nigel en Elijah. Wanneer ze horen hoe we hier gekomen zijn,
moeten we blijven vertellen. We kunnen nog altijd niet bevatten dat
mensen zo onder de indruk en geïnspireerd raken van onze reis.
We zijn gewoon lekker een stukje aan het fietsen!