|
Twee onverstaanbare culturen Ik kijk naar de vredige blik op het gezicht van Karin. Ze is onder narcose en heeft een geslaagde kijkoperatie achter de rug. Vlak naast het bed, op het nachtkastje, ligt een plastic zakje met daarop het verwijderde orgaantje: een paarsrood ballonnetje ter grootte van een tomaat. Om het uiteinde zit een zwart draadje geknoopt, dat de inhoud van de galblaas binnen houdt.
Karin wordt wakker en zegt iets onverstaanbaars.
Terwijl ze me wazig aankijkt valt ze in slaap, wordt daarna weer wakker,
zegt iets onverstaanbaars en valt weer in slaap. Dan wordt ze wakker,
kijkt me aan en zegt wéér iets onverstaanbaars. Een kwartier later is ze echt een beetje wakker.
Ze heeft het koud en wil een extra deken. Ik laat haar de kleine geïnfecteerde
schavuit zien, haar kwelgeest. Ze is niet onder de indruk van het monstertje.
Ik ben erg blij haar weer in levende lijve te zien; ik zou met haar
willen dansen, zwemmen, rennen, fietsen. Vooral fietsen, in deze bijzondere
wereld. Maar dat moet nog even wachten.
Voor mij hebben ze twee gevulde aubergines
bij zich en twee flesjes ayran. Abdul is een streng moslim. Zijn in
het zwart geklede vrouw mag niet buitenshuis werken en draagt een volledige
sluier. Andere mannen mogen haar niet zien. De zussen en moeder van
Mohammed in Idleb deden bij mijn binnenkomst altijd vlug een hoofddoekje
om, maar hun gezichten mocht ik altijd wel zien. Sommige moslimvrouwen
zijn zelfs ongesluierd. Elke moslim lijkt het geloof op een andere manier
in te vullen. Abdul beleeft het op een orthodoxe manier. Zelfs de broers
van Abdul hebben Rowda nooit gezien, ook niet tijdens hun bruiloft.
En zo heeft Abdul de vrouwen van zijn broers na vele jaren ook nog nooit
gezien. Deze interpretatie van de regels van de Koran is een van de
meest strenge. Een onverstaanbare cultuur, voor ons. Het gaat erg goed met Karin. Ik speel mezelf:
een dwingende therapeut met een ontieglijke hekel aan ziekenhuizen die
haar zo veel en zo snel mogelijk in beweging zet. Op vrijdag, de vrije dag van de moslims, gaan
we zoals afgesproken op bezoek bij Abdul. We kopen bij een bloemist
een bos bloemen, waar elke Nederlandse bloemenhandelaar zich diep voor
zou schamen. Hier is het echter supersjiek om met zo'n tuiltje half
verlepte rozen en anjers voor de deur te staan. We worden uitgebreid
verwelkomd. In het huis zijn twee leefruimtes: eentje voor de vrouwen,
waar vreemde mannen niet mogen komen. En vreemd is dus al snel vreemd:
alleen de man des huizes en de mannelijke kinderen zijn er welkom. De
andere ruimte is voor de mannen, waar de vrouw des huizes alleen komt
als er geen vreemde mannen zijn. Abdul is in een spraakzame bui: twee
huizen naast het zijne is een post van een van de vele afdelingen van
de geheime politie. Daar vinden nog ouderwetse folteringen plaats. Misdadigers
en politieke delinquenten worden op een kruis gebonden, een halve slag
gedraaid en dan met electriciteitsdraden op de voeten geslagen. De buurt
heeft er last van: vanuit hun huizen kunnen de kinderen lijfstrafje
kijken. De klachten van de omwonenden hierover mochten niet baten: de
ramen staan nog altijd open, de folteringen gaan door.
We krijgen een fantastische maaltijd voorgeschoteld van Rowda. Met de twee kinderen en Abdul eten we in de mannenkamer. Rowda eet met hun dochters in de vrouwenkamer. Als we 's avonds vertrekken moeten we beloven de was te brengen, zodat Rowda die voor ons kan doen. En we kunnen gebruik maken van hun prachtige douche, aangelegd door Abdul. In ons hotel moeten we apart betalen voor een douchebeurt. We maken graag gebruik van de geweldige gastvrijheid van Abdul en Rowda. In de hersteldagen brengen we een bezoek aan de oude moskeeën en kerken van Homs. Een week na de operatie mogen de hechtingen eruit en wordt Karin hersteld verklaard. De volgende dag gaan we per busje naar het Crac des Chevaliers, een van de grootste kruisvaarderskastelen die ooit zijn gebouwd.
Het stamt uit de 11e eeuw na Christus, is door de kruisvaarders op de restanten van een eerder gebouwd fort gezet, uitgebouwd en versterkt. Het kasteel kon een garnizoen van 2000 man herbergen en was zo gebouwd dat het voor vijf achtereenvolgende jaren zelfvoorzienend was. De enorme keukens en voorraadkelders getuigen van een uitstekende organisatie.
Twee weken na aankomst in Homs zitten
we weer op defiets. Het voelt eventjes vreemd en tegelijk heerlijk.
De ellende is voorbij, Karin is gezond, we gaan er weer tegenaan!
|