|
Antieke taferelen te Tadmor Voor we Homs uitfietsen rijden we op aanraden van Abdul langs het graf van de reus Al Hool. Over deze man doen wilde verhalen de ronde. Hij was vier meter lang; wegens zijn afwijkende lengte is er bij zijn dood een speciale grote tombe bij zijn huis gebouwd. Tientallen jaren later wilde de gemeente Homs het graf delven, om er nieuwe huizen neer te zetten. Allah beschermde echter het graf van de reus: shovels braken af, chauffeurs raakten verlamd, niets lukte om het graf van zijn plek te krijgen. Toen heeft men het maar zo gelaten. We kijken door een klein raampje de binnentuin in en zien inderdaad een stenen graftombe van zo'n vier meter lang.
Het fietsen gaat ouderwets goed. Over mooi asfalt rijden we naar het oosten, waar de bebouwing steeds verder afneemt. In plaats daarvan zien we meer en meer bedoeïententen, waar kinderen blootsvoets vrolijk in het zand spelen. Wat we ook regelmatig zien zijn militaire oefenterreinen met tientallen tanks die oorlogje spelen, half in de grond ingegraven raketten, vliegtuigen en geschutskoepels. Officieus zijn er bijna een miljoen soldaten in Syrië op een bevolking van minder dan vijftien miljoen islamitische zielen. Met een gerust gevoel slapen we in de woestijn, onder een zwarte hemel waarin duizenden sterren flonkeren. Drie bedoeïenenkinderen zwaaien ons enthousiast
na, wanneer we tussen de parallelle bergketens onze weg naar het oosten
vervolgen. De weg, die goed geasfalteerd is, loopt soms tien kilometer
aan een stuk kaarsrecht voor ons uit. Soms worden we gepasseerd door
een vrachtwagen beladen met schuimmatrassen. De wagens zijn allemaal
op weg naar Bagdad; blijkbaar slaapt men daar nog steeds niet lekker,
hetgeen we ons voor kunnen stellen. Na 60 kilometer naderen we een heuvel
met een groot Arabisch fort er bovenop. We fietsen om de heuvel heen
en zien in de afdaling de oase van Palmyra opdoemen en de ruïnes
van de oude stad Tadmor, de voorganger van het huidige Palmyra.
De winkeliers in Palmyra lijken wanhopig te
zijn. De dreiging van een inval door de Amerikanen in Irak heeft ervoor
gezorgd dat de meeste westerse landen een negatief reisadvies hebben
afgegeven voor buurland en bondgenoot Syrië. Vreemd eigenlijk:
we voelen ons in dit land veiliger dan waar ook. Diefstal komt nauwelijks
voor en de mensen in het land zijn qua vriendelijkheid en gastvrijheid
te vergelijken met de Turkse bevolking. Het vroegere Tadmor (stad van de dadels) en latere Palmyra (stad van de palmen) was voor kamelenkaravanen eeuwenlang de belangrijkste stop- en bevoorradingsplaats tussen de Arabische Golf en de Middellandse Zee. De oude bron, Afqa genaamd, heeft een vruchtbare oase doen ontstaan waar olijven, katoen, graan en dadels groeien en bloeien. Als strategische plek is de stad in handen gevallen van Romeinse, Perzische en Arabische veroveraars, waarvan de Romeinen de langste adem hebben gehad. De meeste overblijfselen dateren dan ook uit de Romeinse tijd. Na alle oude stenen in Turkije is deze oude stad het meest indrukwekkend.
Honderden stenen pilaren, rechtop staand of gevallen, worden omringd door tempels, standbeelden, een tetrapylon, tombes en een amfitheater. Uren lopen en klauteren we door het kilometers grote terrein en krijgen geen genoeg van de prachtig gedecoreerde en soms geërodeerde stenen.
Hoog boven de ruïnes torent het Arabische kasteel van Emir Fakhr Edden Alma'ni, waar we de volgende dag een bezoek aan brengen. We zijn de enige bezoekers, net als in de ruïnes. Het is een feest om in de hoogste torentransen te klimmen en uit te kijken over de oase en de woestijn.
De tombes liggen enigszins apart van de andere restanten. In een vallei ten westen van de oude stad staan grote en kleine tombeflatjes op enkele honderden meters van elkaar verspreid. Ze zijn niet, zoals de meeste tombes, ingegraven onder de grond, maar staan fier in het kale landschap. De meeste zijn vier verdiepingen hoog en voor bezoekers toegankelijk. Enkele zijn niet toegankelijk wegens instortingsgevaar; andere zijn gerestaureerd, maar deze kunnen ons niet echt bekoren. Te veel beton of te mooi afgewerkt. De niet-gerestaureerde tombes zijn voor ons interessanter: via half ingestorte trappetjes klimmen we erin en komen in gangetjes waarin links en rechts boven elkaar drie of vier uitsparingen zijn aangebracht met het formaat van een menselijk lichaam. Op deze wijze kon men in een enkele tombe toch al gauw zo'n honderd overledenen kwijt. In sommige uitsparingen vinden we nog diverse menselijke botten. Vreemd toch altijd hoe de spanning toeslaat wanneer we in een ruïne struinen en op zoek gaan naar overblijfselen van vroeger leven. Meer dan wat menselijke botten en een dode uil vinden we echter niet.
Na drie dagen gaan we op weg naar Damascus.
De woestijn is aantrekkelijk en afschrikwekkend tegelijk: zo'n immense
ruimte met niets anders dan stenen en zand. Er is geen leven te ontdekken,
behalve de bedoeïenen die zich in het grote niets lijken thuis
te voelen. Waar ze van leven is ons een raadsel. De enige dieren die
we er tegenkomen zijn wilde honden. In Homs zijn we er door Abdul al
voor gewaarschuwd. De waarschuwing blijkt terecht te zijn. Bij een verlaten
huis aan de linkerkant van de weg loopt een troep grote honden rond,
die ons kwaadaardig aanstaren wanneer we aan komen fietsen. Het zijn
er minstens vijftien, en dat zijn er wat ons betreft vijftien teveel.
Langzaam komen ze dichterbij. De voorste en grootste hond is de onbetwistbare
leider. We fietsen in hetzelfde tempo verder, tenminste dat proberen
we. Ongetwijfeld gaan we inmiddels ongemerkt toch iets harder. Op het
moment dat we de honden passeren, lijkt de leider van de groep een commando
te geven, want de hele troep komt ineens als een bezeten monster met
helse kreten blaffend en jankend op ons af. Karin stoot een aantal verschrikkelijke
schreeuwen uit, waar de honden heel even voor terugdeinzen. Maar dan
zetten ze weer aan. Heel even moet ik denken aan het lied van drs. P.
waarin de een na de ander verslonden wordt door bloeddorstige wolven.
Maar de humor ervan is momenteel ver te zoeken. Ik trek de één
meter lange stok, die ik al enkele weken op mijn fietstassen meezeul,
onder mijn trekbanden vandaan en begin uit voorzorg om me heen te zwaaien.
Karin is aan mijn veilige rechterkant gaan fietsen en we rijden voor
wat we waard zijn. Als een hond vervaarlijk dichtbij kom geef ik hem
oplawaai; helaas mis ik hem op een haar na. Maar de schrik zit er ook
bij de honden nu goed in en ze houden in. Na nog een paar dreigende
uithalen haken ze af.
|