vlag Oman

De lachende steigers

Op tweede kerstdag fietsen we naar het zuiden langs de Golf, in de richting van As Siwayh. De route wordt steeds vlakker en doet ons denken aan de Sahara in Egypte: een zwarte woestijn, rode woestijn, ge-erodeerde kalksteenfiguren, hoge duinen met een scherpe graat en duinen die zich tegen de bergen aan lijken te schurken. Woestijnschepen kijken ons langdurig na en de zandhagedissen hier hebben een brede, stompe kop, in tegenstelling tot de spitse snuitjes van de Namibische hagedis.

Omaanse zandhagedis Zelfportret Peter

Na 68 kilometer draait de weg landinwaarts. Voor het eerst in twaalf dagen krijgen we de wind in de rug en ineens zitten we zingend en fluitend op de fiets. Wat een verschil in snelheid en inspanning. De wind wakkert aan tot een storm die vlagen stof en zand over de weg doet schieten en ons vleugels geeft. Na zes uur en honderdtwintig kilometer vinden we een beschutte plek voor de tent achter een hoge muur, waar we het zand uit de ogen en oren peuteren.

Peter fietst tussen kamelenKarin fietst tussen kamelen

De volgende dag is alles weer bij het oude: de wind is gedraaid en komt stijf uit het westen. We hebben geen keus, met de zee achter ons. Het heerlijke landschap van gisteren heeft plaatsgemaakt voor saaie vlaktes waarin af en toe een acacia opdoemt. Vandaag is de dag der vondsten: een khandoera (jurk), mes, schaar, steeksleutel 12/13, tubes verpakte tweesecondenlijm, aanstekers, petten, een theemuts en 23 paar gloednieuwe kindersokken. De lijm nemen we mee voor Paul, de sokken voor het kindertehuis van Marleen, van de khandoera scheurt Karin enkele stukken af die als poetslap dienst kunnen doen. Net voorbij Al Mintarib vinden we een van onze oudste slaapplaatsen van de reis: een half ingestort oud fort met lemen muren. We zetten de tent in de binnenplaats en gebruiken twee kamers als toilet c.q. wasgelegenheid.

Ons eigen kasteel voor de nacht (Al Mintarib) In ons kasteel

Twee dagen later bereiken we uitgeput Nizwa, waar we een hotelkamer nemen voor twee nachten. We moeten onze kleren wassen en rust nemen, al is het maar voor een dag.

Het is vrijdag, marktdag in Nizwa. Van heinde en verre komen boeren naar de centraal gelegen plaats om geiten, schapen en koeien te kopen of verkopen. Zo vlak voor het slachtfeest Eid is het extra druk. Mannen, gekleed in khandoera en met de eeuwige fez op het hoofd, en vrouwen met sluiers en maskers staan in een grote kring waarbinnen het vee ter veiling wordt rondgeleid. Luidkeels wordt de prijs geschreeuwd en onderhandeld over het levende vlees waar over twee weken het mes in gaat. Af en toe stuift de menigte uiteen wanneer een lompe stier hitsig wordt of de drukte zat is.

Veemarkt in Nizwa Veemarkt in Nizwa

We drentelen door de soukhs, die in Nizwa gesorteerd zijn naar productsoort, en kopen voor twee euro een kilo mierzoete dadels. En wat schetst onze verbazing: het fort van Nizwa is gerestaureerd en open voor publiek! De restauratie is volledig in oude stijl en met de originele materialen uitgevoerd. De toren is met een diameter van veertig meter de grootste van het land en biedt een fraai uitzicht op de moskee, stad, dadelplantages en de falajes, de oude stenen goten voor de irrigatie van de bomen.
Bij een bakker kopen we een aanlokkelijke, ronde cake die we samen in vijf minuten verorberen. En de honger, na al het fietsen, is nog niet gestild.

Fort van Nizwa met daarachter de Sultan Qaboos Moskee Kruikenwater drinken in het fort van Nizwa

De asfaltweg naar Bahla is smal en druk. Sommige automobilisten lijken ons dood te willen rijden en passeren op centimeters. Het licht heuvelachtige landschap is niet bijzonder enerverend en onze vijand, de wind, draait nog wat besluiteloos om ons heen. In Bahla kunnen we een zure glimlach niet onderdrukken wanneer we het reusachtige, beroemde fort… in de restauratiesteigers zien staan. Van de twintig forten die we in Oman zagen stonden er zo’n zestien in de steigers en waren gesloten voor publiek. Niet dat we ze allemaal willen bezoeken, maar die van Bahla toch wel. Helaas.

Het fort van Bahla wordt ... gerestaureerd

De pauze in Bahla bekomt ons slecht. De wind heeft een definitief en stevig besluit genomen en komt nu met een enorme vaart recht van voren aangeblazen. Al na vier kilometer zijn we het spuugzat; met tien kilometer per uur komen we nauwelijks vooruit, het zand kraakt tussen kiezen en in kettingen en ontmoedigd laten we een ander beroemd fort, dat van Jabreen, links liggen. Het bord naast de weg geeft niet aan hoever het fort van de afslag ligt en we willen niet het risico lopen weer voor een gesloten poort te komen tussen lachende steigers. Nijdig trappen we door. Nijdig op de eeuwige wind, nijdig op onszelf, op alle restauraties en steigers, op Oman, op de hotels, op iedereen…
Zeven kilometer verder geven we het op en vragen water aan een boer, om daarna de tent op een beschut plekje te kunnen zetten. De oude boer Salem laat ons echter niet gaan. Hij zet thee voor ons in zijn schuurtje (hij woont zelf in Bahla) en presenteert dadels uit eigen boomgaard. De lekkerste dadels die we ooit proefden: tamr-galas dadels, die letterlijk smelten op onze gretige tongen. In ons beste Arabisch knopen we een gesprek aan, vooral over de kut-hawa (kutwind) die ons elke dag pest. Zoon Khalifa voegt zich even later bij ons en gevieren zitten we op het grote kleed in de beschutting van de schuur te keuvelen. Tijdens de handen-voetenconversatie begrijpen we dat hij vraagt of we het prachtige Jabreen Kasteel enkele kilometers terug hebben bezocht. Nee, zeggen we bedremmeld.

Op de thee bij boer Salem, Ali en Khalifa Het fort van Jabreen is klaar!


Tien minuten later lopen we door de gangen van het enorme fort, sluipen door geheime kamers, ruiken de zoete, weeïge lucht van de dadelkelders en bewonderen de keuken, hamaams, gedecoreerde plafonds en vernuftige waterafvoeren.

Ha ha steigers, wie het laatst lacht, lacht het best.