| Een grensgeval Het is oudejaarsavond. In plaats van te kijken naar de oudejaarsconference van Youp van 't Hek zitten we onder het afdak van het schuurtje van boer Salem. Drie vrienden van Salem komen kletsen en koffiedrinken. Tussendoor wordt er tot Allah gebeden, terwijl de anderen doorgaan met praten en lachen. In Nederland zou je doodstil zijn en wachten op het ‘amen'.
Wanneer iedereen naar huis gaat drukt Salem ons op het hart in de warme schuur te overnachten en belooft Ali na een uur terug te zullen keren met warm eten. De wind trekt aan tot stormachtig en de temperatuur zakt naar twintig graden. Heerlijk in Nederland, maar wij zitten te bibberen met onze tropisch verwende lichamen. Ali, een jonge recalcitrante student die voor dierenarts leert, komt even later terug, nadat wij ons bed hebben opgemaakt in een van de schuurtjes, tussen balen hooi en auto-onderdelen. De rijst met eieren, gegrild vlees en Omaans brood smaken heerlijk na weer een dagje afzien. Dankbaar duiken we in ons bed, in een boerenschuur in het noorden van Oman, terwijl de wind gillend om het kleine huisje giert. We wensen elkaar alvast een gelukkig nieuwjaar, want twaalf uur halen onze vermoeide lichamen niet meer.
Het dorp is half tegen en half in een bergwand van het Al Jabal Al Akhdar gebergte gebouwd. De vroegere bewoners hebben rotsen verhit tot ze barsten en de stukken ervan gebruikt voor de bouw van hun huizen. Klei en stro functioneerden als cement. Door het gebrek aan ruimte werden de huizen dicht op elkaar gebouwd met smalle, spookachtige gangetjes ertussen. Auto's kunnen het dorp niet in en het belangrijkste vervoermiddel is nog altijd de ezel. We lopen over de kilometerslange falaj, de stenen irrigatiegoot, tot aan de bron van het water. Op de bergwand zijn overal vlakke terrasjes gebouwd waar dadelbomen, citrusvruchten en groenten worden geteeld. De tijd heeft hier stilgestaan.
Laat in de ochtend stappen we op de fiets en vervolgen onze route, die van oost naar west loopt langs het ruim zevenhonderd kilometer lange Al Hajer Al Gharbi gebergte. Af en toe vangen we een glimp op van Jabal Shams, de berg van de zon, die met ruim drieduizend meter een van de hoogste bergen is van het Arabische schiereiland en de hoogste van Oman. De nukkige wind is nog altijd tegen en we hebben besloten om het rustig aan te doen, de beste houding om dit gevecht vol te houden.
Voorbij de plaats Amla klimmen we een lange, kronkelende wadi door; aan de andere kant van het hoogste punt dalen we terug naar dezelfde hoogte als we begonnen. De wadi is hier niet meer dan een kilometers brede vlakte tussen honderden kleine bergtopjes. We vinden de ‘World Heritage Site' nabij Bat: een collectie van dorpjes en tombes uit de 3e eeuw voor Christus. De tombes zijn gemaakt van gestapelde stenen en hebben de vorm van een bijenkorf. Tenminste, degenen die nog overeind staan.
In de dagen daarna laten we de bergen rechts van ons liggen en rijden meer en meer tussen gele en rode zandduinen. Af en toe stappen we van de fiets en lopen een stuk de woestijn in, waar sporadische struikjes de enige voedselbron zijn voor geiten en kamelen. In het zand zijn duizenden sporen, varierend in grootte van insectenpootjes tot de afdruk van de kamelenhoef, het bewijs dat zelfs in deze dorre omstandigheden leven mogelijk is.
Na Hafit fietsen we om een stuk grondgebied van de Emiraten heen dat als een gezwel Oman instulpt. We willen zolang mogelijk in Oman blijven fietsen tot het uiterste noorden bij de grenspost van Hatta, vanwaar we terug zullen keren naar Fujairah. Tot onze verbazing fietsen we na 23 kilometer een grenspost in, die op de kaart niet bestaat. We vragen uitleg aan de Omaanse grensbeambten, die er niets van begrijpen dat wij er niets van begrijpen. Ze vertellen dat we hier bij de nieuwe, slechts een maand oude grenspost een exitstempel van Oman krijgen, of we willen of niet. Hierna zullen we nog veertig kilometer over Omaans grondgebied moeten fietsen om pas bij Al Ain de grens met de Emiraten te passeren. Iets wat wij niet willen, omdat we naar het noorden moeten. Om dat te realiseren zouden we in Al Ain om moeten keren om in Buraymi een nieuw visum voor Oman te kopen (a veertien euro). Absurd. We hebben niet veel keus en stempelen uit. Veertig kilometer lang fietsen we nog door Oman, zonder officieel in welk land dan ook te zijn. Net voor Al Ain is de grenspost van de Emiraten, waar we te horen krijgen dat we volgens de computer het land drie weken geleden nooit verlaten hebben, terwijl de stempels in ons paspoort bewijs van het tegendeel zijn. Verward rijden we door de grote stad, vinden er zowaar een fietswinkel waar een stel Nepalezen de kogels van mijn wiellager vervangt, en fietsen door in noordelijke richting. Door de Emiraten, wel te verstaan.
De volgende dag wordt het nog gekker: een politiebeambte verzekert ons dat we vanuit Al Madam de binnendoor weg naar Hatta kunnen nemen, die dwars door Omaans grondgebied loopt. We wagen het erop en slapen die nacht, met een visum van de Emiraten in ons paspoort, in Oman.
Zonder problemen, zonder nog een enkele grenspost te passeren, fietsen we de dag erna de Emiraten weer in. Rare jongens, die grenzen.
|