vlag Oman

Gemengde gevoelens

Op slechts twintig kilometer van Fujairah ligt de grens met Oman, dat is te makkelijk. Het kan aanzienlijk moeilijker en, zoals fietsers weten, moeilijker is altijd mooier. Vanuit Kalba loopt een splinternieuwe weg dwars door het ruige Hajar Gebergte, die uiteindelijk uitkomt in Hatta. En ook daar kun je de grens over naar Oman. Dus op naar Hatta.
Het voordeel van de nieuwe asfaltweg wordt al snel duidelijk: er is veel minder verkeer. We klimmen gestaag en het duurt enige tijd voor we hijgend op de pedalen moeten staan om nog enige snelheid te maken. Achterom kijkend zien we de donkerblauwe Golf van Oman zonder overgang doorlopen in het lichtblauw van het wolkenloze luchtruim. Na de eerste heuveltoppen is er niets dan boomloze bergen, in honderden tinten grijs en bruin. De laatste klim naar de tweede tunnel bereikt een stijgingspercentage van 16% en zwetend kijken we uit over de overwonnen hoogte en slaan de vriendelijk bedoelde aanbiedingen om mee te rijden af.

Karin klimt van de Golf van Oman het Hajar Gebergte in Fietsen in een tunnel, altijd link

Op een smal stoepje rijden we de tweede tunnel door, die gelukkig goed verlicht is, waarna de zware arbeid beloond wordt met een zinderende afdaling. We passeren enkele dorpjes die net zo nieuw zijn als de weg en waarvoor heuveltoppen zijn afgevlakt, om op veilige hoogte boven de wadi te kunnen bouwen.
We fietsen door vier verschillende emiraten, die als eilandjes over het hele land verspreid liggen. Aan het onderhoud van dorpen en wegen is goed af te lezen hoe rijk of minder rijk een emiraat is. Wanneer we in Hatta aankomen hebben we er bijna duizend klimmeters opzitten, genoeg voor deze dag. Met extra water in de voorraadzakken vinden we achter een heuveltje een vervallen huisje, waarnaast de tent precies past. De lokale kinderen hebben ons snel gevonden en wanneer de nieuwsgierigheid het heeft gewonnen van de verlegenheid, trekken tent en brander weer eens veel publiek.

Wadi Al Hilo, een gloednieuw dorp, waarvoor de bergtoppen moeten wijken Wildkampeerplekje waar we al snel ontdekt werden door de plaatselijke kinderen

Met een onverwacht gratis exitstempel van de Emiraten fietsen we Oman tegemoet. We worden opgewacht door applaudisserende grenswachten bij een nieuw, wit, marmeren paleis, het mooiste immigratiekantoor dat we ooit zagen. Maar daar betalen we dan ook 120 dirham voor. Oman, ons 30e land!
Met fikse tegenwind fietsen we de bergen uit, door honderden wadi’s, terug naar de Golf van Oman. In een klein winkeltje mogen we het brood niet betalen: “You are my friend!” Mensen zijn vriendelijk.
Op het eerste gezicht lijkt er weinig verschil met de Emiraten: dezelfde stoffige dorpjes, winkels met enorme en kleurige uithangborden, rommel op straat, grote asfaltwegen en veel bouwputten. Wel meer mensen in traditionele kleding: de khandoera voor de mannen, aangevuld met de abayah en shayla voor de vrouwen.

Portret meisje

Oman is het land van de kastelen, forten en uitkijktorens. Elk dorp, klein of groot, heeft minimaal een oud fort en wordt op de nabijgelegen heuveltoppen bewaakt door oude, meestal vervallen torens. In Sohar bezoeken we het aan zee gelegen fort, dat tevens als museum dienst doet. De traditionele dhaggar (dolk) aan de muur wint het van de duizelingwekkende informatie over de geologie van het land. In de beste boekwinkel van Sohar, de Shams Al Awloom, vinden we een redelijke kaart van Oman, helaas zonder hoogtes en afstanden.

Het fort van Sohar Het fort van As Suwayq

Er zijn net veel doorgaande wegen in Oman en om bij Muscat te komen volgen we de drukke weg die van oost naar west loopt. Gelukkig voor ons zijn er grote stukken met een lokale parallelweg, waar het heerlijk rustig is. Helaas voor ons hebben we elke dag een stevige tegenwind. Tussen de middag eten we vaak warm in een van de kleine restaurantjes; voor twee borden biriyani rijst met schaap, kip en groenten betaal je slechts drie en een halve euro. ’s Nachts slapen we achter een van de ommuurde plantages, in een wadi of in een oud, niet meer gebruikt schuurtje. Net als de Emiraten richt de overheid van Oman zich op de rijke, westerse toerist, waardoor de prijzen van de schaarse accommodatie relatief erg hoog liggen.

Slapen achter een ommuurde boomgaardWelkom in Muscat

De stadsgrens van Muscat is al op tachtig kilometer van het centrum. Bijna een volle dag fietsen we door bebouwing, langs tientallen nieuwe wijken en stadsdelen, de fantastische Sultan Qaboos Grand Moskee, parken, rotondes en nog meer nieuwe huizen in aanbouw. Nog altijd met tegenwind.
Het oude centrum blijkt tussen de bergen van de noordoostpunt van de stad te liggen en is een grote bouwput een nieuw paleis voor de sultan en diverse regeringsgebouwen zijn in aanbouw. De baai wordt geflankeerd door twee enorme forten; in vroegere tijden was Muscat een onneembare vesting. Aan de corniche van de haven van Muscat, zo´n acht kilometer terug, vinden we na lang zoeken een hotel waar we twee nachten uitrusten.

De Sultan Qaboos Grand Moskee in Muscat

We hebben in korte tijd een haat–liefdeverhouding met Oman opgebouwd. De schaduwzijde van dit mooie, nog grotendeels onontdekte land is het gebrek aan accommodatie en de schandalige wijze waarop de Aziaten, die het vuile werk opknappen, worden behandeld. Echt somber worden we door een vergissing in onze planning. Oman en Jemen zijn veel groter dan gedacht. Om Jemen te halen, met het beperkte Oman visum van dertig dagen, zullen we naar het zuiden moeten racen. Om Jemen goed te bekijken hebben we drie maanden nodig. Hierna moeten we dezelfde weg terug richting de Emiraten, omdat we van de Saoedische ambassade te horen kregen dat het voor Karin niet toegestaan is om in hun land te fietsen. Een vrouw mag er niet eens autorijden, laat staan fietsen. Een fikse domper. Tegen de tijd dat we via Oman terugkeren in de Emiraten is het volop zomer op het Arabische schiereiland en word je levend gebraden.
Het zuiden van Oman en geheel Jemen moeten we schrappen van ons lijstje. Voorlopig.