|
Twee gebraden branco's Op 9 februari is het eindelijk
zover. Karin voelt zich weer bijna de oude, na drie weken uitzieken
van de uitputtende malaria aanval. De ernst van deze ziekte heeft er
bij ons beiden goed ingehakt, we spreken af onszelf nog beter te beschermen
dan we al deden. In de praktijk is dit moeilijker dan het lijkt: zelfs
onder het stromende water van de douche word je soms gestoken, smeren
met deet heeft dan ook niet altijd zin. In Kilambo vullen we de exit-formulieren in bij het immigratiekantoor en worden daarna vergezeld door drie jongemannen op de fiets die ons met hun boot de grens over willen brengen. Een brug is er niet over de Rovumu en de kleine ferry schijnt erg duur te zijn als die speciaal voor jou moet uitvaren. De rivier blijkt vijf kilometer verderop te liggen. Door golven hete lucht fietsen we via een zeer modderig pad tussen de eerste rijstvelden door. Bij de rivier worden we opgewacht door dertig hongerige mannen.
Ze willen geld wisselen, vis verkopen, hun bootje verhuren, winst maken. We onderhandelen over een motorbootje; hun wensen en die van ons liggen ver uiteen maar gelukkig daalt de prijs steeds verder. In ons beste Swahili en hun beste Engels trachten we tot een vergelijk te komen, wat een flinke tijd duurt. Ze zetten druk op de ketel en waarschuwen ons voor de dreigende regenbui. We lachen ze vriendelijk uit en verhogen onze prijs een beetje. Uiteindelijk worden we het eens, de fietsen worden in de boot getild en tussen de roofvogels en hamerkoppen bereiken we een half uur later Mozambique! Een modderpad van vier kilometer voert naar het immigratiekantoor. Het pad is niet meer dan een watergeul, waar op de vlakkere stukken te fietsen valt. Wanneer Karins voortas een verborgen boomstronkje raakt, gaat ze onderuit en belandt languit in een plas zwart modderwater. Het immigratiekantoor is een lemen hut, die we in Nederland nog niet aan de varkens zouden geven. Na negen maanden Swahili moeten we ineens overschakelen op Portugees; dat is even wennen, hoewel Karin met haar Spaans aardig uit de voeten kan. Volgens de beambte zullen we vandaag op zijn hoogst Quionga halen, 17 kilometer verderop. Een pessimistische gedachte, denken we dan nog.
Maar
hij blijkt gelijk te krijgen. De 17 kilometer bestaat uit een moddergeul
met heel veel zand. Het grootste deel moeten we lopen, terwijl Karins
sandaal, mijn remkabel en een achterband het begeven. Het kan niet altijd
meezitten. In een temperatuur van bijna 40 graden repareren we band
en fiets, terwijl het zweet weer eens in stromen van ons af loopt.
's Avonds krijgen we de kale woonkamer toegewezen, maken er ons bed op en vallen daarna in een diepe slaap. Ondertussen is de lokale bevolking in rep en roer: er slapen twee "branco's" (blanken) in het dorp!!
|