Bethlehemse Beschermengelen


In Liphofung brengen we de nacht door in een grote, open rondavel met rieten dak. Vnuit ons bed kijken we naar de enorme sterrenhemel en zien ’s morgens vroeg de herders het vee uit de kraals jagen op weg naar groene weiden.
Mijn verkoudheid is helaas nog erger geworden en ik heb lichte koorts. Het fietsen, op een fractie van m’n longinhoud, is niet leuk zo.
Vanaf Butha Buthe maken we een uitstapje naar Zuid-Afrika. Via Caledonspoort rijden we naar Bethlehem, alwaar we een fantastische kamer (met badkamer, koelkast, televisie) krijgen in Birds’ Haven voor een boterzachte prijs. Ook de medewerkers en eigenaar van fietszaak Cycleworld vinden onze reis zo indrukwekkend dat we een flinke korting krijgen op de benodigde onderdelen. Karins’ fiets wordt voorzien van een nieuw cranckstel, ketting, achtertandwielen en spiegeltje. Ik laat m’n achterwiel richten en wat strakker spannen, voor de onverharde wegen die ons te wachten staan in de rest van Lesotho.


Bijna een week lang houd ik Bethlehem ’s nachts wakker met mijn rauwe gekuch en produceer daarbij de mooiste fluimen ter wereld. Het kan ook niet anders dan dat de bacterien van zeker zes landen zich het afgelopen jaar in mijn borstkas verzameld hebben en dat moet er maar eens uit.

Via Clarens fietsen we terug naar Lesotho en hebben een onverwachte overnachtingsplek bij Jean en Sharon in Fouriesburg. De hoeveelste uitnodiging zou dit al zijn van de laatste drie maanden? We eindigen de avond in hun achtertuin met een heerlijke braai en het verjagen van een angstaanjagende slang.


We keren terug in Lesotho via Caledonspoort en struinen even later door het ongelooflijk rommelige stadje Butha Buthe. We zijn terug in zwart Afrika: een teringzooi op straat, stalletjes van golfplaat die dienst doen als winkel, toeterende busjes en altijd weer mannen die ons van alles toeschreeuwen. We begroeten iedereen met het respectvolle ‘Khotso’ (spreek uit: gotso, wat vrede betekent), maar soms kan ik het niet laten de kerels terug te roepen in iets wat op hun eigen taal lijkt:
" Eeeeehhh, abracadabra!!”, wat door de meesten lijkt te worden begrepen gezien hun bevestigende hoofdknik en het antwoord: “Eeehhh”.
Op weg naar Ts’ehlanyane National Park (ik ga niet uitleggen hoe je dit uitspreekt want het lukt ons nog altijd niet) worden we af en toe staande gehouden door groepjes opgeschoten meiden voor een praatje. De eerste vraag is altijd: “Where are you going?” Wanneer we voor de grap Butha Buthe zeggen, waar we net vandaan komen, kijken ze ons verschrikt aan en zeggen angstig: “You’re going in the wrong direction!” Eenmaal loopt een meisje naar Karin en met het gezicht op minder dan tien centimeter afstand zegt ze: “I love you so much!” Bij het afscheid nemen werpen we haar kushandjes toe die ze giechelend in ontvangst neemt.
De 36 kilometer onverharde weg naar het park loopt langs de rivier de Hlotse, waar veel kinderen naakt badderen en spelen. Bij een stel flinke ‘potholes’ in de weg ontmoeten we vier kleine mannetjes van een jaar of zes, druk bezig om met schop en handen de gaten in de weg te vullen. Blij gaan ze op de foto en nog groter is hun geluk wanneer we ze iets toestoppen voor het harde werken. Even verderop speelt een groepje kinderen op hun gitaar, gefabriceerd uit olieblikken en een boomtak. Wie niet rijk is moet vernuftig zijn. In een plotselinge onweersbui arriveren we, zeiknat, in het park.

Het Ts’ehlanyane National Park ligt diep in het voorgebergte van de Maluti Mountains, aan de voet van de Holomo Pas. Het bestaat uit 5600 hectare woest en ontoegankelijk berggebied met veel riviertjes en watervallen. We zijn de enige gasten op de campsite, waar de water- en elektriciteitsvoorziening helaas ‘under maintenance’ is. Wassen doen we in de koude rivier, onze behoefte in de bosjes.
Op het kaartje dat ons bij de receptie is overhandigd, staat een mooie wandeling van een uur of vier, dwars door het wilde bamboe, ouhout en fijnbos dat hier welig tiert. De wandeling leidt over twee bergruggen, tussen bavianen, over een tiental snelstromende riviertjes, door metershoog gras en langs enkele bloemen- en plantensoorten die alleen hier schijnen voor te komen. Na vijf uur klimmen en klauteren zijn we eindelijk op de top van de tweede bergrug en hebben we definitief in de gaten dat het kaartje van de receptie niet geheel overeenkomt met het aantal slingers dat het pad maakt. Na acht uur en ruim 800 hoogtemeters komen we uitgeblust aan bij onze tent en hebben weer eens een heerlijke rustdag achter de rug.

Karin vilt de dode slang, die we gisteravond bij het opzetten van de tent vonden. Hij zat ingevouwen in de buitentent en is waarschijnlijk gestikt. We moeten het arme beest bij het inpakken van de tent in Clarens per ongeluk hebben meegenomen, ongezien.

Achteraf blijkt het een gevaarlijke en zeer giftige soort te zijn. Het mag een wonder heten dat we het onderkruipsel niet hebben gezien tijdens het inpakken. Een nog groter wonder is wellicht, dat hij ons niet heeft gebeten en ingespoten met zijn dodelijke gif.

Beschermengeltjes, bedankt!