|
Vasco da Gama achterna, over land en zee Op zoek naar nieuwe handel, zoals specerijen, en handelsroutes, meerde Vasco da Gama in 1498 zijn zeilschip aan in de haven van Mombassa. Mombassa was in die tijd de grootste en rijkste havenstad tussen Mogadishu in Somalië, en Kilwa in het zuiden van Tanzania. De regerende sultan van het gebied zag weinig heil in de komst van deze christelijke indringers en de Portugezen werden op een toenmalig passende (dus nogal hardhandige) wijze de toegang ontzegd. Maar onze Vasco liet zich niet zomaar wegsturen. Hij sloot een alliantie met de sultan van het honderd kilometer noordelijker gelegen Malindi, waarna de strijd om Mombassa met succes werd voortgezet. De Portugezen kregen toegang tot een belangrijk deel van het Oost-Afrikaanse binnenland. Zowel in Mombassa als in Malindi zijn er nog steeds overblijfselen die herinneren aan deze periode van Portugese invloed. Aan het eind van de 16e eeuw bouwen de Portugezen een fort bij de ingang van de haven van Mombassa. Op een strategisch koraalrif wordt van grote blokken koraal 'Fort Jesus neergezet', een verstandige zet gezien de honderd jaar controle die ze daarna over de havenstad hebben.
Vanaf de oceaan zijn de in de lucht torenende 16 meter hoge muren onneembaar. In het fort zien we de oude barakken van de manschappen, de platforms van de kanonnen, voorraadkelders, uitkijktorens, een cisterne en de restanten van wat de kerk geweest moet zijn. Onder deze restanten is een skelet gevonden, waarvan een replica onder een glazen plaat tentoongesteld wordt. Het is niet duidelijk wiens overblijfselen het zijn, maar vermoedens gaan in de richting van een geestelijke of hoge legerpief. Bijzonder zijn de wat kinderlijk aandoende graffitischilderingen die op een muur van het westelijk bastion zijn aangetroffen. In een zeer matig perspectief heeft een zich vervelende soldaat (het was niet altijd vechten natuurlijk) schepen, kerken, vissen en mensen getekend. Duidelijk geen Rembrandt. Zoals bijna overal in Kenya is er ook in Mombassa een waterprobleem. Veilig drinkwater is er alleen in de vorm van flessen mineraalwater. De watervoorziening bestaat uit een emmer water, een douche die slechts druppelt, of zoals in ons hotel in Mombassa, uit kranen die geen aanvoerleiding hebben. Terwijl de receptie ons stromend water beloofde. Volgende keer dus de kranen allemaal opendraaien als we een kamer bekijken. Na onze klacht wordt er zowaar een dag lang gehakt en geboord, met als resultaat dat alles nog hetzelfde is, exclusief het achtergelaten puin waar we nu in de douche op moeten staan. Een volgende klacht vindt geen gehoor. Hotel Fantasy doet haar naam eer aan: alles wat je van een hotel verwacht moet je er zelf bij fantaseren. Behalve de mieren die 's nachts ons volledige brood annexeren. Om onduidelijke redenen past de sfeer van Mombassa
ons niet, dus na twee dagen al volgen we het spoor van de heer da Gama
naar het noorden. In een afwisselend klamheet zonnetje en een tropische
stortbui fietsen we fluitend met de wind in de rug tussen sisalplantages,
mango's en kokosnoten naar Malindi. Vlak voor het stadje redt Karin
voor de tweede maal een stel kameleons dat al wiebelend de straat oversteekt,
en wordt als dank in haar vinger gebeten. Even terug naar Vasco. Na zijn bezoek aan Mombassa in 1498 komt da Gama op Paaszondag, 15 april 1498, met een vloot van vier schepen aan in Malindi. Hier wordt hij welkom geheten door de opportunistische sultan van Malindi, die hulp in zijn strijd met de sultan van Mombassa goed kan gebruiken. Da Gama mag in Malindi zelfs een kapel bouwen, wat toentertijd opzienbarend was tussen de 17 moskeeën van de geheel islamitische bevolking. Hij blijft slechts 9 dagen in Malindi, maar keert in 1499 terug. In dat jaar laat hij op een kleine landtong van koraal net ten noorden van het stadje een pilaar bouwen met een christelijk kruis erop.
We proberen het Vasco-da-Gama-kruis via het strand te bereiken, maar de snel opkomende vloed staat ons dat niet toe. Want we hebben geen zwemkleding aan. Over een smal pad tussen een paar aardige optrekjes bereiken we de koraalriffen, waar jonge vissers een maaltje aan de haak proberen te slaan. Het kruis stelt niet veel voor, vaag zijn de contouren van de Portugese vlag in het witte kruis te ontwaren. Maar goed, historie is historie. De Portugese kapel blijkt vrijwel volledig gerestaureerd te zijn, slechts het altaar en enkele graven uit de 16e eeuw zijn nog origineel.
Een dag later fietsen we zonder bagage naar Watamu, een klein dorp dat door zijn prachtig gevormde koraalrotsen in zee tot toeristische trekpleister is uitgegroeid. De asfaltweg er naar toe verandert in een onverhard karrenspoor en wordt daarna steeds smaller. Na enkele kilometers smal en onverhard geitenpad verdwijnt het in het niets. We slepen de fietsen door een maïsveld naar het strand, waar we over het redelijk harde zand onze weg vervolgen. Maar ook het strand wordt steeds smaller, tot we over de gladde koraalrotsen fietsen tussen oceaan en rotswanden. We zien niet ver voor ons Watamu liggen, wanneer de vloed opkomt. Dat gaat hier niet in een kinderachtig tempo en binnen twintig minuten rijden we door het snel stijgende water, op zoek naar een plekje in de rotswand waar we omhoog kunnen klauteren. Dat lukt iets later dan gehoopt en met de fietsen op de nek waden we door het koele water naar de rotswand die vier meter boven ons uitsteekt. De fietsen worden elke seconde zwaarder en logger tijdens de klim op het scherpe koraal. Het doorscheuren van een bandje van mijn (Peter) sandaal geeft een fijne extra handicap in de race tegen de wassende oceaan. Mijn pedalen hebben tijdens het maandenlange fietsen de zolen zover ingevreten dat het bandje doorgesleten is en het koraal doet de rest. Hijgend komen we boven, we hebben het weer overleefd. Honderd meter landinwaarts vinden we tot onze verbazing een prachtig breed pad dat naar Watamu leidt. En dat allemaal op een rustdag. Watamu is een geweldig mooie plek om, op het witte strand met uitzicht op de paddestoelvormige koraaleilandjes, een zoete appelmango weg te werken en uit te rusten van allerlei levensbedreigende situaties. Heerlijk, zo'n appelmango.
Op de terugweg zoeken we naar 'Gedi', een oude verlaten Afrikaans-Arabische stad midden in een oerwoud. Van dit culturele uitstapje hadden we tevoren niet veel verwacht, maar het blijkt een bezoek meer dan waard. We zijn de enige bezoekers en kijken onze ogen uit als we door het deels verwilderde en overgroeide stadje struinen. Het geheel is ongeveer een vierkante kilometer groot, met een buitenste en een binnenste verdedigingsmuur. Binnen de muren zien we de restanten van moskeen, huizen, straten, cisternes, een paleis en enkele tombes. De uit de 15e eeuw stammende site is gebouwd van koraalsteen en aarde. Na opgravingen bleken de meeste delen ingestort, maar er is genoeg intact gebleven om een goed beeld te krijgen van het stadje. De stilte, alleen de geluiden van de apen en vogels "verstoren" de rust, geeft het geheel een serene sfeer. Anno 2003 is het nog altijd een mysterie waardoor de bewoners van het stadje in de 16e eeuw plots zijn verdwenen, huis en haard achterlatend.
Wij hebben echter wel een vermoeden: waarschijnlijk ging men massaal op wereldreis, op zoek naar avonturen en nieuwe culturen in onbekende landen. Logisch toch?
|