|
Op safari met de Masai! Fietsend door Kenya wordt
ons regelmatig "Safari njema!" toegeroepen. Niet helemaal
begrijpend waarom mensen onze reis als een safari zien, roepen we toch
altijd "asante!" (bedankt) terug. Later komen we er achter
dat safari het Swahili-woord voor 'reis' is. Safari njema betekent niets
anders dan het Hollandse 'goede reis!'. En, zo betekent 'daktari', van
die spannende serie uit de 60-er jaren, gewoon 'dokter'.
Al snel verlaten we het luxe asfalt voor enkele tientallen kilometers gravel, modderwegen en potholes. Samen met de Zuid-Koreaan Choi en de Engelse Lisa stuiteren we gezellig richting de Masai-Mara, die samen met het aangrenzende Serengeti een van de grotere en meest bijzondere wildparken van Afrika vormt. Eind van de middag krijgen we al de eerste van vijf game-drives voor de kiezen. De Landrover heeft een dak van stevig zeildoek, dat in het park opgerold wordt zodat we staande in de auto een 360-graden view hebben. Zonder al te hoog gespannen verwachtingen worden we meteen overweldigd door de prachtige natuur en het vele wild dat we te zien krijgen. Indrukwekkend en zeer sfeervol zijn de grote groepen gazellen, zebra's, impala's, hartebeesten, wildebeesten, giraffes en bavianen die de open velden tussen de heuvels bevolken.
Met wat geluk treffen
we een leeuwin met vier welpen en twee struinende olifanten. We voelen
ons verwend, en de safari is voor ons al geslaagd wanneer we ook nog
eens een jakhals, een kroonkraanvogel, twee hyena's, een stel secretarisvogels
en de kleuren van de lilac-breasted roller (in het Nederlands: de Vorkstaartscharrelaar;
wat een naam zeg) mogen bewonderen. Het is bijna teveel voor een dag. In het tentenkamp van Planet, gelegen in het park en gerund door Masai-mannen, worden we vergast op een heerlijk diner en een viertal traditionele dansen. We leren enkele dingen over de tradities van dit volk en de betekenis van kleur en besnijdenis. Zo worden de oorlellen van eerstgeboren zoons op tienjarige leeftijd opengesneden en daarna langzaam opgerekt. Alvorens rond hun vijftiende levensjaar besneden te worden moeten de jongens van een stam bewijzen daarvoor sterk en groot genoeg te zijn. In een groep worden ze weggestuurd met maar een doel: het doden van een leeuw. De eerste die erin slaagt zijn speer in een mannelijke leeuw te steken, heeft de rest van zijn leven een bevoorrechte positie. Voor elke traditie is er een rituele dans, waarbij gelopen, gezongen en vooral zo hoog mogelijk gesprongen wordt.Het springen heeft, net als de rode kleding, als doel de roofdieren af te schrikken, die het op hun vee gemunt hebben. En, het springen brengt hen dichter bij hun god, Ngai.
's Middags
rijden we een flinke kudde Afrikaanse olifanten tegen het dikke lijf,
die zich tegoed doen aan gras en struiken. Er zijn veel babyolifantjes
bij; de kleinste doet kunstjes door onder een volwassen olifant door
te lopen en imiteert zijn vader door met zijn nog onvolgroeide slurf
zand over zich heen te gooien. Het lijkt wel een natuurfilm, maar dan
van heel dichtbij. Aan het eind van de middag brengen we een bezoek aan het nabijgelegen masaï-dorp, waar alles er nog net zo aan toe gaat als honderden jaren geleden. Behalve dan dat ze voor geld hun traditionele dansen uitvoeren en hun zelfgemaakte sieraden en gereedschappen aan toeristen verkopen. Het dorp van 160 mensen bestaat uit een tiental rechthoekige hutten, in een grote cirkel gebouwd rondom een afzetting van takken voor het vee. Het dorp zelf ligt ook binnen een afzetting van acaciatakken met lange scherpe dorens. De hutten worden door de vrouwen gemaakt van takken, bladeren en koeienstront en gaan ongeveer negen jaar mee. Aanzienlijk minder dus dan de huizen die in Nederland door mannen worden gemaakt.
In de hutten, zonder ramen of verlichting, zijn vertrekken voor het jonge vee, slaapkamers en een kleine woonkamer annex keuken. Het is er aardedonker en tijdens ons bezoek, in de keuken, wordt het vuur opgestookt. In de verstikkende rook praten we met een jonge masaï die ons over het dagelijkse leven vertelt, terwijl een kalfje naast ons zijn behoefte staat te doen. Gezellig. Wanneer luisteren echt onmogelijk wordt door onze prikkende en tranende ogen, verlaten we het pand. Van de masaï-krijger die twee jaar geleden een leeuw doodde, koop ik een deel van de leeuwenklauw: de grootste nagel, aan een stukje afgevijld bot. Mooi voor een hangertje. Eerder mocht ik zijn muts van leeuwenmanen al even op, terwijl hij trots met mijn Oakley zonnebril rondliep. Culturele uitwisseling heet dat.
De daaropvolgende hevige regenbui zorgt voor een terechte apotheose: niet wij, maar de Spaanse auto komt volledig vast te zitten in een van de modderige regenpoelen. De Spanjaarden glijden en glibberen door de stortbui naar onze auto en gezamenlijk gaan we terug naar de campsite. De regens zijn echter van korte duur en na een half uurtje schijnt het zonnetje weer.
Ook de vierde
dag brengt ons geluk en we ontmoeten nog meer oud dierenleven dat voor
ons nieuw is: de fel roze-blauw gekleurde agama-hagedis, diverse soorten
ooievaars, de Afrikaanse koekoek, waterbokken en maraboes. Tijdens de
lunchpauze in een lodge wil een warthog, zeg maar een knobbelzwijn,
heel graag vriendjes met ons worden. Hij of zij komt bij ons liggen
en met dat gewicht op onze voeten lijkt het onmogelijk ooit nog uit
dit park weg te kunnen komen.
Ondanks de
verplichte afstand van 70 meter laat James de auto voorzichtig tot op
7 meter naderen, zodat we een geweldig zicht hebben op het reusachtige
dier met zijn steekoogjes. Een mannetje lijkt bronstig te worden bij
het zien van Karin, die voorin de Landrover staat. Zijn gebogen geslachtsdeel
hangt tot op de grond en beweegt heftig heen en weer. Om geen verdere
risico's te nemen houden we het voor gezien en gaan via het prehistorisch
aandoende Euphorbiabos naar de uitgang en terug naar Nairobi. Dus, een beetje reclame: voor al uw safari's in Kenya en omstreken:
|