|
Een olifantendrol als hoofdkussen We zijn al lekker tien minuten onderweg over het asfalt van Mariakani naar Nairobi, wanneer mijn achterderailleur aan een staking begint. Opschakelen gaat steeds moeizamer, afschakelen levert een complete weigering op. We zijn een uur bezig met schoonmaken en smeren van ketting en derailleur, maar het levert geen enkele verbetering op. Uiteindelijk hou ik achter twee versnellingen over. Met de drie kettingbladen voor heb ik er zes in totaal, voldoende voor vandaag. Even later breekt een van de hardplastic commandeurs af. Aangezien onze camera, een maand geleden gerepareerd, het deze week ook weer begaf, voelen we ons helemaal in ons element. En we zijn natuurlijk dolgelukkig dat we eindelijk onze reservespullen, na 13.0000 kilometer eens kunnen gebruiken.
binnenkant omgevallen baobab De bevolking van Kenya heeft opvallend veel
manieren om goeiendag te zeggen. We groeten iedereen als we langsfietsen
en het meest gebruikelijke wat we terughoren is 'jambo' of 'salama'.
Afhankelijk van het geloof dat men aanhangt. Maar wat we ook regelmatig
horen is 'mzuri', 'saa saa', 'selaam', 'mzuri sana' en 'mambo'. Het
meest mystieke antwoord klinkt echter als 'powaah', door sommigen afgekort
als 'pwah' waarbij vooral heel achteloos gekeken wordt en een trage
handbeweging ongetwijfeld iets van een groet betekent.
En rondom de tent liggen uitgedroogde drollen
van een voetbal maatje vijf. De enige diersoort die voetballen kan poepen
is de olifant dachten we, dus we zijn gewaarschuwd. De droogtegraad
van het speelgoed geeft ons het zekere gevoel dat ze hier al weken niet
geweest zijn, en waarschijnlijk op weg naar minder droge gebieden nu
het regenseizoen voorbij is. Wanneer we 's morgens wakker worden is het
doodstil en lijkt alles slechts een nare droom te zijn geweest. Behalve
de door ons veroorzaakte lijkjes is er geen mier meer te bekennen.
In tegenstelling tot de belofte van gids en kaart bestaat het plaatsje Tsavo uit niet meer dan een toegangspost naar zowel de Oost- als Westingang van de parken. De ranger van het park begrijpt dat we het na 110 kilometer genoeg vinden voor vandaag en staat ons toe de tent naast de huisjes van het parkpersoneel op te zetten. Op enkele honderden meters van de Tsavo-rivier een prachtige plek, vooral als we in de verte olifantengetrompetter horen. In de rivier ontdek ik een grote zwarte zoetwaterschildpad, die snel onderduikt als hij een mzungu ontwaart. Als het donker is komen de nachtvlinders uit hun schuilplek, met kanten vleugels en oranje lampjes als ogen. De laatste etappe voert dwars door het park, vijftig kilometer lang. Spannend, want ieder moment kan er iets wilds en groots oversteken en je weet nooit wat. Wanneer dat na twintig kilometer nog steeds niet gebeurt, neemt Karin drastische maatregelen om de dieren wat meer kans te geven. Tot drie maal toe heeft ze een lekke band, waarmee ze ons eigenlijk voor de leeuwen werpt. Maar de 'predators' zien in ons geen lekker hapje: te mager waarschijnlijk. Klimmend, in de warmte van de zon die vrij spel heeft in een volledig blauwe lucht, zijn de enige dieren van betekenis een paar eekhoorns, dikdik's, neushoornvogels en een slang. Maar de laatste is dood. Het is een pofadder, de grootste veroorzaker van dodelijke slangenbeten in Afrika.
Tussen de vele baobabbomen horen we een
vogel die we nog niet kennen. In ons boek vinden we hem onder de naam
White-Bellied Go-away-bird. Hij heeft zijn naam te danken aan de schreeuw
die hij produceert en klinkt als: go awaaayyy!!
|