|
De bush en haar babies Van Nairobi naar de Indische Oceaan is het oosten loopt slechts een weg die fietsbaar is, gezien het onstabiele noorden en aansluitende wildparken Tsavo-Oost en Tsavo-West. Om niet tweemaal dezelfde weg te fietsen, kiezen we op de heenweg voor de trein. Deze nachttrein schijnt historisch te zijn en dat blijkt als we er op woensdag 11 juni instappen. Onze eersteklas coupe heeft een ouderwets uitklapbaar stapelbed en overal hokjes, luikjes, schuifjes en haakjes. En een ouderwets drinkwaterkraantje. Dat niet werkt natuurlijk, maar goed. De restauratiewagon lijkt zo uit een spoorwegmuseum te komen, inclusief het geüniformde personeel met witte handschoenen. En: leren banken, houten wanden, lampenkapjes en een dertigerjaren klokje dat maar blijft aangeven dat het half zes is. Vlak voor het diner worden de linnen servetten vervangen door gehalveerde papieren servetjes. Er wordt bezuinigd door Kenya Railways. Of we ook om die reden slechts een half bordje soep krijgen blijft onduidelijk, maar het is wel handig in verband met het schudden van de trein; we houden het droog. Terwijl we een flink bord rijst met groenten en gekookt vlees wegwerken, worden onze bedden vakkundig opgemaakt. Met een gemiddeld gangetje van wel dertig kilometer per uur arriveren we tien uur later in het 300 kilometer verder gelegen Voi, net voorbij de Tsavo-parken. Met zonsopgang fietsen we het station uit, nagestaard door de eerste reizigers. Bijna honderd kilometer rijden we over mooi asfalt, tussen savannes vol met baobabbomen, acacia's, sanseveria's, cactussen, kokospalmen en termietenheuvels met schoorsteen. We worden vergezeld door dik-diks, grondeekhoorns, neushoornvogels en bavianen. In Samburu slaan we een onverhard zijpad in dat in 140 kronkelende kilometers dwars door de Oost-Afrikaanse bush naar de Indische Oceaan leidt.
Het landschap verandert dramatisch, van droge savanne naar vochtig tropisch groen op een rode grond. Op de kleine onverharde wegen komen we slechts wandelaars en voetgangers tegen. Om de paar kilometer is er een dorpje dat uit rieten en lemen hutten bestaat. Er komen hier nooit blanken: we worden door de lokale bevolking aangestaard alsof we van Mars komen. Kinderen rennen gillend naar hun moeder bij het zien van twee fietsende geesten. We gaan niet erg hard in dit landschap: op de steile klimmen en hobbelige paadjes stoppen we regelmatig voor grote mestkevers die hun nestmateriaal naar een veilige plek rollen, of helpen een stel fluorescerend geelgroene kameleons naar de overkant van het pad. Ook de schildpadden moeten tot hun blazende ergernis van dichtbij bekeken worden.
In onze tweede nacht in de bush worden we aanvankelijk wakker gehouden door tromgeroffel in een dorp verderop, terwijl de beelden van grote Afrikaanse kookpotten op een houtvuur door onze hoofden spoken. Zouden ze ons gezien hebben?
Tussen het weelderige groen van bananenbomen, papaja's, kokosnoten en mango's fietsen we van Kinango naar Kikoneni. Enkele meters voor me uit zit een jonge Black Necked Spitting Cobra op het pad. Ik stop voor een foto, maar de slang denkt daar anders over en wil het struikgewas invluchten. Dapper en dom als ik ben probeer ik hem tegen te houden met mijn voet, waarop de cobra zijn aanvalshouding aanneemt: met zijn bovenlijf rechtop, zijn nek breed uitgezet sist hij me toe dat ik op moet rotten. Een volwassen exemplaar had me van drie meter recht in mijn ogen gespuugd met zijn gif. Ik heb geluk ik slechts een kleintje aantref. Tot een foto komt het overigens niet.
Onze laatste nacht voor we de Indische Oceaan bereiken, brengen we door onder de kokospalmen. De lege noten en enorme bladeren liggen overal verspreid. Het is doodstil in het dichte groene woud, tot de zon ondergaat. Binnen enkele minuten is het donker; het startsein voor een kakofonie van geluiden. Het krijsen en lachen van neushoornvogels en haviken wordt een half uur later overstemd door andere geluiden die we niet thuis kunnen brengen. Het lijkt nog het meest op het geluid van een crèche vol huilende baby's, maar een crèche is er in de wijde omgeving niet te bekennen. Bovendien komt het geluid uit de bomen en van baby's weten we dat het slechte klimmers zijn. De herrie komt steeds dichterbij. We schijnen met de lantaarns in de bomen en zien kleine gele lampjes oplichten. We hopen dat het niet om bavianen gaat, want die jatten als de raven (of eigenlijk: als bavianen) en zijn hondsbrutaal (of eigenlijk: baviaanbrutaal). Dat wordt dan een slechte nacht voor Karin, want ik stel haar direct aan als wacht. Het "African Wildlife"-boek, een must in deze landen, geeft uitkomst: het gehuil wordt veroorzaakt door bushbaby's, een kleine apensoort die alleen 's nachts actief is op zoek naar insecten, kleine vogels en vooral vers fruit. Snel eten we onze appelmango's op en vallen gerustgesteld in slaap.
|