Sinds Bosra in Syrië zijn we enkele honderden
meters afgedaald en dat is te merken aan de temperatuur. Het is eind
november en de naderende winter is 1.000 meter boven de zeespiegel ook
in het Midden-Oosten goed voelbaar. Met elke afdaling stijgt de temperatuur
met enkele graden, tot we een zalige 26 graden Celsius bereiken.
In drie kwartier zijn we door de visumformaliteiten bij de Jordaanse
grens; na zes maanden en 8.000 kilometer fietsen we ons zestiende land
binnen.
Op weg naar Umm Qays fietsen we door een Bijbels landschap waar elk
moment een van de apostelen van Jezus om de hoek kan komen. Deze verwachting
komt niet uit, we belanden na een lange klim in het dorp en nemen onze
intrek in een aftands hotel met een te hoge prijs. Een half uur later
is het al donker, vanaf het dakterras kijken we onze ogen uit over de
heuvels en valleien rondom. Duizenden lichtjes van omringende dorpen
verlichten het oosterse landschap op sfeervolle wijze.
Op de acropolis van Umm Qays ligt het oude
Gadara, een stad uit de derde eeuw voor Christus. De ruïnes van
de stad omvatten cisternes, hamaams, basaltstraten, pilaren, een amfitheater
en museum. In de 7e en 8e eeuw na Christus is de stad door aardbevingen
grotendeels verwoest, maar de ruïnes laten voldoende aan de verbeelding
over. Het uitzicht over het Jordaanse landschap, Israël en het
meer van Tiberias is overweldigend. Jammer van de dode katten die hier
en daar liggen en een penetrante lijkengeur verspreiden.
Langs de Jordaans-Israëlische grens fietsen we zuidwaarts door
de Jordaanvallei. We passeren vele politieposten en worden af en toe
aangehouden om onze papieren te laten zien. In de vruchtbare vallei
groeien bananen, citrusvruchten, palmbomen, cactussen, mimosa en acacia's.
We wanen ons in het hemelse paradijs.
Dat gevoel verdwijnt snel wanneer we door kinderen met stenen bekogeld
worden op weg naar Pella en de ruïnes van Tabaqat Fahl. De sfeer
is ineens verziekt wanneer we tijdens een zware klim agressief benaderd
worden: schreeuwen, bedelen en stenen gooien. Ook de vliegen hebben
ons als doelwit gekozen en nestelen zich op mond, neus, ogen en oren.
Bij het Government Resthouse in Pella vinden we rust; we mogen er gratis
onze tent opzetten. Vanaf de tent hebben we een schitterend uitzicht
over de Jordaanvallei en de ruïnes van Pella en de hemelse sfeer
is snel wedergekeerd.
De bedoeïenenfamilie die honderd meter
verderop woont nodigt ons uit voor thee, fruit, water, muziek en koekjes.
Ze vinden ons bar interessant. De communicatie verloopt helaas moeizaam,
ons Arabisch is onvoldoende om alle vragen en opmerkingen te begrijpen.
Maar gastvrijheid en vriendelijkheid kent geen taal.
Zondagochtend vroeg fietsen we Pella uit, begeleid
door hysterisch gillende kinderen die op weg zijn naar school. Een van
de kinderen gooit een stok in mijn richting, vreemd genoeg is er geen
enkele volwassene die dit gedrag corrigeert. De volwassenen zijn anders
dan we gewend zijn. Zo heeft men heeft een flinke fixatie op geld. Overnachtingen
zijn stukken duurder dan in Syrië; artikelen in winkeltjes zijn
niet geprijsd waardoor we nooit weten of we de reguliere prijs betalen
of niet. Het gedrag van volwassenen varieert van hysterisch vrolijk
roepen tot het zogenaamd grappig op ons inrijden met een auto om op
het laatste moment het stuur om te gooien en ons hartelijk toe te schreeuwen.
Het is even wennen allemaal.
In een flinke stortbui dalen we de Jordaanvallei in. Aan de overkant
van de vallei zien we eerst Israël en later het gebied van het
Palestijnse zelfbestuur liggen. Na enkele politieposten komen we bij
de Dode Zee. Dat is aanvankelijk een flinke deceptie; het meer is overal
afgeschermd van de weg door middel van hoge hekken, op geen enkele plek
kunnen we bij het zoute water komen. Alleen bij de spaarzame dure hotels
of de government resthouses is het mogelijk naar het water te gaan,
en dan alleen tegen flinke betaling. We hebben niet veel keus en zetten
de tent bij het resthouse, betalen de entree en nemen een duik in het
meer. De Dode Zee is vier maal zo zout als de oceanen, waardoor het
drijvend vermogen ook vier maal zo groot is. Zwemmen is vrijwel onmogelijk,
hoe we ook ons best doen. Het lichaam ligt te hoog in het water, bij
elke zwembeweging begin je dan ook gelijk rond te tollen. Het is een
fantastische ervaring om te drijven zonder daar enige moeite voor te
doen en we nemen het er even van.
Langs de Dode Zee is het afwisselend fietsen.
Eerst rijden we langs enorme rotsformaties, wadi's en een hemelse muur
van zout in honderd tinten wit en lichtblauw, even later fietsen we
tussen fabrieken van zoutprodukten, kunstmest, broom en magnesium.
zout
Bij het plaatsje Ghor as Safi vinden we een
plekje voor de tent tussen uitgestrekte tomatenvelden en om 19.00 uur
liggen we plat.
De elf uur slaap van deze nacht zullen we vandaag hard nodig hebben.
We gaan klimmen, vanuit de Jordaanvallei (400 meter onder zeeniveau)
naar het noord-zuid lopende gebergte (± 1.700 meter boven zeeniveau)
waarin de oude Koningsroute loopt. We zijn vroeg op en voor zevenen
zitten we al op de fiets. Toch zijn we niet de eersten: op de velden
en in de bananenplantages zijn al veel mensen hard aan het werk. We
passeren een kudde kamelen die op weg gaan voor hun dagelijkse portie
sjouwwerk. Voorbij Fayfa slaan we af naar Tafila. Na een laatste politie-checkpoint
gaan we de bergen in. Een passerende vrachtwagenchauffeur nodigt ons
uit de fietsen in de laadbak te gooien. Toch eerst maar zelf proberen.
Na twee kilometer klimmen zijn de bedoeïenententen verdwenen en
fietsen we in de stilte van de bergen. Alleen de vliegen zijn er nog;
ze komen op onze bezwete lijven af en trachten in neus, mond en ogen
te kruipen. Irritante, nutteloze beesten.
Hoe hoger we komen, des te mooier worden de
uitzichten. Kalksteenrotsen wisselen af met harde steensoorten, waardoor
een grillig patroon is ontstaan; het landschap doet ons denken aan Cappadocië
in Turkije. Het klimmen gaat zwaar, de weg loopt voornamelijk steil
omhoog en achter elke bocht ligt een volgende helling. Het is al 14.00
uur wanneer we Tafila bereiken; we hebben zes uur gedaan over ruim 40
kilometer. Vanaf hier komen we op de Koningsroute. Deze blijkt voortdurend
op en af te gaan. Klimmen en dalen, klimmen en dalen. En er staat een
forse tegenwind.
We trachten Dana te bereiken, een plaatsje met een guesthouse dat in
een natuurreservaat is gelegen. In Ayn al Bayda doen we boodschappen
voor het laatste stuk. De klim het dorp uit is loeizwaar en erg steil.
Op deze hoogte begint de kou voelbaar te worden nu de dag ten einde
loopt. We dalen af en zien om de bocht de volgende helling liggen, nog
steiler en langer dan de vorige. Onze snelheid zakt terug naar 4 km/uur.
We zijn nog geen half uur verder, wanneer Karin eist dat we stoppen
voor de nacht. Ik wil niet, ik wil nog even door tot Dana. Maar Karin
houdt vast aan haar standpunt. Het is inmiddels ijskoud, de wind snijdt
door onze kleding en we zijn doodmoe. We stoppen bij een keienveldje,
waar we de tent opzetten. Een kutplek. Op de grond overal stenen, de
plek is zichtbaar vanaf de weg en we staan vol op de wind. Honger, vermoeidheid,
irritaties en kou eisen hun tol. Ik hou het niet meer uit en scheldt
op alles wat los en vast zit. Woedend ben ik; op Karin die niet verder
wil, op de kou, op de altijdteringtegenwind, op de irritante Jordaniërs,
op mezelf.
Vandaag hebben we onze hoogterecord verbroken.
Dat stond op ruim 2.000 meter in de etappe van de Grossglockner in Oostenrijk.
Vandaag fietsen we 2.156 meter omhoog. In 60 kilometer. Daar kun je
hysterisch van worden.