We worden wakker. Het is 5 graden boven nul
in de tent. Toch is het lekker warm onder onze heerlijke slaapzak. Met
alle winterkleren aan zitten we even later op de fiets. Via Rasnadiyya,
Qadisiyya en Manshiyya fietsen we over de prachtige Koningsroute naar
het zuiden. De afslag met het gezochte Dana vinden we niet. De weg blijft
golven, de temperatuur neemt toe wanneer de zon hoger aan de hemel komt
en laag voor laag pellen we onze kleding af. De Koningsroute blijkt
voor een deel onbegaanbaar en we krijgen een onduidelijke omleiding
voorgeschoteld. Een leraar Engels wijst ons de juiste weg en na 70 kilometer
duiken we de vallei in waar het dorp Wadi Mousa ligt. Dit is ons voorlopige
eindpunt; achter het dorp ligt de oude stad Petra verborgen in de rotsen
van de Jebel al Khubtha.
We nemen onze intrek in Hotel Petra Gate en ploffen uitgeput in bed.
De vermoeienissen van de afgelopen dagen zijn goed voelbaar. Karin heeft
geen trek in eten en wil alleen nog maar in bed liggen. Ik eet onze
laatste broodjes op en verheug me op de schatten van Petra. Dan wordt
er hard op de deur gebonsd. Met tegenzin stap ik uit bed en doe de deur
open.
"Surprise!!" Voor ons staat Nigel, we kunnen onze ogen niet
geloven. Er zijn minstens 25 hotelletjes in Petra en we zitten toch
in dezelfde. Hij blijkt, samen met Elijah zelfs op dezelfde verdieping
te zitten als wij, namelijk een kamer verderop. Onze fietsen, die in
de eetzaal staan geparkeerd, hebben onze aanwezigheid verraden. Karin
is gelijk helemaal de oude en tien minuten later zitten we met z'n vieren
uitgebreid te kletsen. Ook Romano en Shariff zijn weer van de partij,
evenals een paar illegaal op de kop getikte flessen whisky. Dubbel feest
dus.
De volgende dag gaan we met Elijah de oude stad Petra in. Deze stad,
die duizenden jaren onder het zand verborgen heeft gelegen, is een erfenis
van de Nabateeërs. De Nabateeërs waren een roofzuchtig en
tegelijk arbeidzaam Arabisch nomadenvolk. Ze veroverden strategische
plekken op de handelsroute naar de Middellandse Zee, waar ze tol hieven
op de met wierook, specerijen, zijde en ivoor beladen karavanen. Tevens
verzorgden ze de karavanen van drinkwater en beschermden ze de handelaren
tegen allerlei gespuis en geboefte. Petra werd hun hoofdstad, waarlangs
de vele karavanen trokken. De necropool, eigenlijk niet meer dan een
dodenstad, is toegankelijk via de Siq, een smalle kloof van 1,2 kilometer
lengte, waarlangs het water van de rivier in smalle geulen, uitgehakt
uit het zandsteen, werd omgeleid. De Nabateeërs waren meesters
in de beheersing van water door middel van ingenieuze dammen en waterkanalen.
In de hoge rotswanden van zandsteen zijn tientallen tombes, graven,
tempels en een offerplaats uitgehakt. De zachte zandsteen leende zich
daar uitstekend voor.
Petra werd een bedreiging voor Rome en in 106 na Christus werd de stad
onder Romeinse heerschappij gebracht. Langzamerhand zakte de stad in
de vergetelheid. Aardbevingen in de 4e en 8e eeuw deden de rest en grote
delen van Petra verdwenen onder het zand.
Met Elijah lopen we door de Siq de oude stad
in, waarvan de ligging jarenlang door de bedoeïenen geheim is gehouden.
Reeds het toegangspad tot de kloof is indrukwekkend dankzij monumenten,
graven en tombes met piramidevormige pijlers. De kleuren van de rotsen
variëren van bruin, geel, rood tot roze en zelfs blauw en wit.
In de rotswanden van de kloof zien we een uitgehakte kameel, de poten
zijn zover afgesleten dat er stukken van weg zijn. Na twintig minuten
lopen houden we als vanzelf de adem in wanneer we een eerste glimp opvangen
van al Khazneh, de mooiste uitgehouwen graftombe met een galerij van
Korinthische zuilen. Het dateert uit de 1e eeuw voor Christus en was
bestemd voor een Nabateese koning.
Vanaf hier lopen we naar rechts tussen tientallen facades met Mesopotamische
trapmotieven; verderop voeren klassieke hellenistische en Romeinse motieven
de boventoon. De meest luxueus uitgevoerde gevels waren voor de koningen
en andere hoogwaardigheidsbekleders. De meer eenvoudig uitgevoerde graven
waren voor de onderlaag van de bevolking. Er is dus eigenlijk niet zo
veel veranderd in al die eeuwen.
Achter elke gevel bevinden zich ruimtes van een of meer kamers. Hier
werden destijds de doden bijgezet. Hoe verder we doorlopen in de richting
van het uitgehakte amfitheater, hoe meer gevels met tombes we zien.
We kunnen onze ogen niet geloven; het is niet te bevatten dat de volkeren
van duizenden jaren geleden zulke fantastische architectonische staaltjes
konden verrichten en zoveel schoonheid konden leggen in het bouwen van
graven en tempels.
Peter voor de ingang van het klooster
Ook de volgende dag gaan we naar de oude
stad en lopen de 800 treden naar het uitgehouwen klooster, dat verderop
hoog in de bergen ligt. Tevens bezoeken we de gerestaureerde kerk met
prachtige, ingelegde mozaïeken.
Op de grond zoeken we
tevergeefs naar oude stenen en munten. Het is vandaag koud en regenachtig.
Een groep Engelse toeristen, die vanmorgen vanuit het warme Aqaba is
gekomen, staat in korte broeken en hemdsmouwen te klappertanden. We
kunnen geen genoeg krijgen van de monumenten, maar na kilometers sjokken
nemen we toch afscheid van de allermooiste historische attractie tot
nu toe.
Ongetwijfeld komen we hier ooit nog
eens terug want men is nog lang niet klaar met alle opgravingen.
Samen met Romano kookt Karin een heerlijke maaltijd in de onbeschrijflijk
smerige keuken van het hotel. We overleven het.