Slovenie-Italie
van 6 juli tot 11 juli 2002

Moeilijke woorden, een pond ijs, grotten en een wild hert

Ineens zijn we ergens waar we de taal niet spreken. Vooral Karin heeft daar grote moeite mee en bij de eerste de beste toeristeninformatie, waar men Engels spreekt, vraagt ze honderduit en schrijft diverse handige woorden op. Er zitten mooie woorden tussen maar vooral veel moeilijke klanken. De dames van de info vinden het prachtig dat ze een cursus Sloveens mogen geven. Dobar dan, potpis sluzbenog lica prosim, en natuurlijk: hvala lepa!
Een tegenvaller in dit wonderbaarlijk nette land zijn de hoge prijzen, die hadden we niet verwacht. Kamperen op een doodgewone camping komt ons op bijna 10 euro te staan, voor Europese begrippen niet overdreven, maar we hebben gewoon zin in een keer een echt goedkoop land. Van Kransjka Gora fietsen we over een heus fietspad naar Mojstrana Dovje.

Triglav

Aan onze rechterhand zien we de majestueuze Julische Alpen liggen, met als hoogste top de Triglav. De bergen zijn grijzer, grilliger en statiger dan de Tiroler Alpen. In Mojstrana Dovje zoeken we een kampeerplekje, wanneer Jozef Peternel ons uitnodigt om de tent op zijn landgoed te zetten. Dat ligt op een paar honderd meter van de weg. Het gras en de kruiden staan erg hoog, het terrein is zichtbaar vanaf de weg en loopt schuin af, maar we zijn er toch blij mee. Om eventuele problemen met de politie of omwonenden te voorkomen schrijft de oude man een briefje waarin hij ons toestemming geeft om op zijn terrein te kamperen. De goedheiligman denkt overal aan.

Een regenachtige nacht is de oorzaak van een drijfnatte tent de volgende ochtend. Ook het hoge natte gras zorgt voor wat ongenoegens. Eenmaal op de fiets is dat allemaal vergeten. Slovenië gebruiken we slechts om doorheen te fietsen, om via Italië en weer terug via Slovenië naar Croatië te gaan. Onderweg trachten we natuurlijk wel zo veel mogelijk bezienswaardigheden te zien en bezoeken.

Vrsic-pas

De Vrsic-pas ligt, niet geheel toevallig, op de door ons uitgekozen route. Ergens heb ik een keer gelezen dat het een zeer mooie slingerende weg is door een onaards gebergte met prachtige vergezichten. Dat klinkt goed en we gaan het ontdekken. De klim is 12,5 kilometer lang, begint rustig in een groen dal en gaat inderdaad met grote slingers door het landschap. Het groen van gras en struiken verandert al rap in het grijs, beige en geel van rotsen. Scherpe rotswanden steken recht de lucht in, op een van de wanden zien we de afbeelding van een gezicht, dat op natuurlijke wijze ooit is ontstaan. De weg lijkt steeds smaller te worden. In de steile haarspeldbochten is het kruimelige asfalt vervangen door ouderwetse kasseitjes. De 24 scherpe bochten zijn genummerd; naast de nummers wordt informatie gegeven over de hoogte waarop men zich bevindt. Dat is heerlijk als je je goed voelt, maar vervelend en vaak teleurstellend als de benen niet willen.
De klim is zwaarder dan verwacht, met stukken van 14%, maar verschrikkelijk mooi. Op de top vergapen we ons aan het 360-graden uitzicht. Een half uur later staan we, met slechts 38 kilometer maar veel hoogtemeters op de teller, op de camping van Trenta. Naast ons staat het Engelse stel Rose and Peter McAvoy met hun camper. Op het terras van de camping kletsen we honderduit; door hen komen we er twee dagen na het passeren van de grens achter dat we ons flink hebben verrekenend in de koers van de Sloveense Tolar. In ons nadeel helaas; het leven is hier twee maal duurder dan we steeds dachten, en we vonden het al niet erg goedkoop.

Karin fietst

Langs de rivier de Soca en door de Julische Alpen fietsen we richting Italië. Net voor het dorp Tolmin heeft Karin de eerste lekke band van onze reis. Het grootste probleem is niet de lekke band maar het vinden van de plakspullen, die ergens diep in een tas zitten.
Nova Gorica is een verdeelde stad, zoals het oude Berlijn en het huidige Nicosia; het laatste stukje ijzeren gordijn van Europa. De stad werd in 1947 gescheiden, toen de Italiaans-Joegoslavische grens opnieuw werd vastgesteld. De stad Gorizia kwam grotendeels aan Italiaanse zijde te liggen; aan Joegoslavische zijde werd de nieuwe stad Nova Gorica gebouwd, precies tegen de oude stad aan. Tot 1952 was het de bewoners van beide steden absoluut verboden de grens over te steken, daarna werd het steeds makkelijker. Tegenwoordig is er sprake van vrij grensverkeer, als je de juiste documenten kunt overhandigen.

De wegen in het Italiaanse deel zijn nog slechter dan die in het Sloveense deel. De golven en hobbels van het asfalt zijn zo hoog dat we af en toe gelanceerd worden. Met 36 graden in de schaduw is het vandaag weer eens bloedheet, en we vluchten snel de stad uit in de richting van de Adriatische Zee. Beiden hebben we een dringende behoefte om af te koelen. Bij een als Lidl vermomde Italiaanse Ildi kopen we een pondspak citroenijs en scheppen het samen leeg, zittend in de schaduw van de winkel. Voorbijgangers lopen grinnikend en vol begrip langs ons, op weg naar hun eigen pondspak.
Bij camping "Alle Rose" in Aurisina kletsen we met Luc, een Belg op de motor, de zwoele avond naar een einde. De volgende dag liggen we voor het eerst aan het strand, bakken bruin, rusten uit, kijken naar mensen en doen heerlijk niks.

Twee dagen later bevinden we ons weer in Slovenië; we reizen nu oostwaarts en arriveren in Postojna, met als doel een bezoek aan de Postojnska Jama, de 20 kilometer diepe druipsteengrotten. Een betaalbare camping vinden we er niet, wel een mooi wildkampeerplekje aan de modderrivier de 'Pivka'. De tent staat er volledig uit het zicht en er zijn geen wandelpaadjes dichtbij. Toch staan we op korte loopafstand van de grotten, ideaal. We wassen ons in het riviertje, eigenlijk meer een brede sloot, en hopen er iets schoner van te worden. 's Avonds ontdek ik m'n derde teek, die zich druk aan het ingraven is. Net als we zijn activiteiten onderbroken hebben, wandelt er een levensgroot hert met gewei uit de bosjes. Hij schrikt net zo hard als ik, maar is sneller verdwenen dan ik de camera kan pakken.

kamperen bij Postojna

De eerste grotten van Postojna zijn bij toeval ontdekt in 1818. Het nieuwe deel werd in 1891 gevonden, niet bij toeval, en als wij er binnenstappen gingen reeds 29 miljoen bezoekers ons voor. Zo wordt ons verteld. Dat lijkt wel weer toeval, zo'n mooi rond aantal. Dertig jaar geleden was ik hier ook, met mijn ouders, broers en zus. Zonder ons bezoek van toen zou je kunnen stellen dat 28 miljoen 999.994 mensen ons voorgingen. Ik probeer dit geweldige toevalsverhaal uit te leggen aan de plaatselijke kaartjesverkoper, maar hij wil er niet veel van weten. Of hij snapt dit enorme wonder gewoon niet.
Een voor iedereen begrijpelijk wonder zijn de enorme stalagmieten en stalagtieten, de prachtige "Brilliant"-stalagmiet, de belachelijk lage groeisnelheid van 1 millimeter per 20 jaar en de domme toeristen die dan toch het liefst een stukje afbreken 'voor thuis'. En niet te vergeten de blinde Proteus, de menselijke vis die meer lijkt op een salamander, waarvan de mythe gaat dat ze afstammen van de grottendraak.

Nog dezelfde dag en 90 kilometer later zijn we in Croatië. Na zes weken fietsen hebben we allebei nog steeds het gevoel dat we op vakantie zijn. Wanneer gaat die wereldreis nu eens beginnen?