|
Slovenie-Italie Moeilijke woorden, een pond ijs, grotten en een wild hert Ineens zijn we ergens waar we de taal niet
spreken. Vooral Karin heeft daar grote moeite mee en bij de eerste de
beste toeristeninformatie, waar men Engels spreekt, vraagt ze honderduit
en schrijft diverse handige woorden op. Er zitten mooie woorden tussen
maar vooral veel moeilijke klanken. De dames van de info vinden het
prachtig dat ze een cursus Sloveens mogen geven. Dobar dan, potpis sluzbenog
lica prosim, en natuurlijk: hvala lepa!
Aan onze rechterhand zien we de majestueuze Julische Alpen liggen, met als hoogste top de Triglav. De bergen zijn grijzer, grilliger en statiger dan de Tiroler Alpen. In Mojstrana Dovje zoeken we een kampeerplekje, wanneer Jozef Peternel ons uitnodigt om de tent op zijn landgoed te zetten. Dat ligt op een paar honderd meter van de weg. Het gras en de kruiden staan erg hoog, het terrein is zichtbaar vanaf de weg en loopt schuin af, maar we zijn er toch blij mee. Om eventuele problemen met de politie of omwonenden te voorkomen schrijft de oude man een briefje waarin hij ons toestemming geeft om op zijn terrein te kamperen. De goedheiligman denkt overal aan. Een regenachtige nacht is de oorzaak van een drijfnatte tent de volgende ochtend. Ook het hoge natte gras zorgt voor wat ongenoegens. Eenmaal op de fiets is dat allemaal vergeten. Slovenië gebruiken we slechts om doorheen te fietsen, om via Italië en weer terug via Slovenië naar Croatië te gaan. Onderweg trachten we natuurlijk wel zo veel mogelijk bezienswaardigheden te zien en bezoeken.
De Vrsic-pas ligt, niet geheel toevallig, op
de door ons uitgekozen route. Ergens heb ik een keer gelezen dat het
een zeer mooie slingerende weg is door een onaards gebergte met prachtige
vergezichten. Dat klinkt goed en we gaan het ontdekken. De klim is 12,5
kilometer lang, begint rustig in een groen dal en gaat inderdaad met
grote slingers door het landschap. Het groen van gras en struiken verandert
al rap in het grijs, beige en geel van rotsen. Scherpe rotswanden steken
recht de lucht in, op een van de wanden zien we de afbeelding van een
gezicht, dat op natuurlijke wijze ooit is ontstaan. De weg lijkt steeds
smaller te worden. In de steile haarspeldbochten is het kruimelige asfalt
vervangen door ouderwetse kasseitjes. De 24 scherpe bochten zijn genummerd;
naast de nummers wordt informatie gegeven over de hoogte waarop men
zich bevindt. Dat is heerlijk als je je goed voelt, maar vervelend en
vaak teleurstellend als de benen niet willen.
Langs de rivier de Soca en door de Julische
Alpen fietsen we richting Italië. Net voor het dorp Tolmin heeft
Karin de eerste lekke band van onze reis. Het grootste probleem is niet
de lekke band maar het vinden van de plakspullen, die ergens diep in
een tas zitten. De wegen in het Italiaanse deel zijn nog slechter
dan die in het Sloveense deel. De golven en hobbels van het asfalt zijn
zo hoog dat we af en toe gelanceerd worden. Met 36 graden in de schaduw
is het vandaag weer eens bloedheet, en we vluchten snel de stad uit
in de richting van de Adriatische Zee. Beiden hebben we een dringende
behoefte om af te koelen. Bij een als Lidl vermomde Italiaanse Ildi
kopen we een pondspak citroenijs en scheppen het samen leeg, zittend
in de schaduw van de winkel. Voorbijgangers lopen grinnikend en vol
begrip langs ons, op weg naar hun eigen pondspak. Twee dagen later bevinden we ons weer in Slovenië; we reizen nu oostwaarts en arriveren in Postojna, met als doel een bezoek aan de Postojnska Jama, de 20 kilometer diepe druipsteengrotten. Een betaalbare camping vinden we er niet, wel een mooi wildkampeerplekje aan de modderrivier de 'Pivka'. De tent staat er volledig uit het zicht en er zijn geen wandelpaadjes dichtbij. Toch staan we op korte loopafstand van de grotten, ideaal. We wassen ons in het riviertje, eigenlijk meer een brede sloot, en hopen er iets schoner van te worden. 's Avonds ontdek ik m'n derde teek, die zich druk aan het ingraven is. Net als we zijn activiteiten onderbroken hebben, wandelt er een levensgroot hert met gewei uit de bosjes. Hij schrikt net zo hard als ik, maar is sneller verdwenen dan ik de camera kan pakken.
De eerste grotten van Postojna zijn bij toeval
ontdekt in 1818. Het nieuwe deel werd in 1891 gevonden, niet bij toeval,
en als wij er binnenstappen gingen reeds 29 miljoen bezoekers ons voor.
Zo wordt ons verteld. Dat lijkt wel weer toeval, zo'n mooi rond aantal.
Dertig jaar geleden was ik hier ook, met mijn ouders, broers en zus.
Zonder ons bezoek van toen zou je kunnen stellen dat 28 miljoen 999.994
mensen ons voorgingen. Ik probeer dit geweldige toevalsverhaal uit te
leggen aan de plaatselijke kaartjesverkoper, maar hij wil er niet veel
van weten. Of hij snapt dit enorme wonder gewoon niet. Nog dezelfde dag en 90 kilometer later zijn we in Croatië. Na zes weken fietsen hebben we allebei nog steeds het gevoel dat we op vakantie zijn. Wanneer gaat die wereldreis nu eens beginnen?
|