|
Servie Op bezoek bij de vijand Na de ellende waarvan we in Bosnië-Herzegovina getuige waren en die grotendeels veroorzaakt is door de Serviërs, valt het niet mee om bij de grote boze wolf op bezoek te gaan. Het spookbeeld doemt op van een verderfelijk en crimineel monstervolk waartussen we een week moeten verblijven. We zullen verslonden worden.
Bij de grens, de brug over de Drina, worden
we opgewacht door een Servische douanier, met Kalashnikov, die ons streng
toespreekt wanneer we een foto van het grensbord willen nemen. Dat begint
al lekker, zie je wel. Voor het eerst hebben we nog een visum nodig
ook, kosten: 6 euro per persoon.
In Ljubovija wisselen we euro's om in dinars
en worden door de bankbediende vriendelijk uitgenodigd binnen onze lunch
te gebruiken. Een heel aardige Serviër, het valt dus wel mee hier.
Zijn vrouw staat flensjes te bakken in de grote open keuken en even later zitten we met zijn vieren te smullen. De communicatie verloopt zeer gebrekkig: veel verder dan handen, voeten, tekeningen en het handige point-it boekje komen we niet, maar het plezier is er niet minder om. Die avond komen we tot de conclusie dat angst een slechte raadgever is en nemen ons voor niemand meer te beoordelen op 'verhalen' maar slechts op onze eigen ervaringen. We komen aan het eind van de zes kilometer lange klim. Ons complete uitzicht wordt ingenomen door een gigantisch communistisch monument waarmee de Tweede Wereldoorlog wordt herdacht. Het uitgestrekte bouwsel heeft beton genoeg om een halve stad van te bouwen en is mooi van lelijkheid.
Na een lange afdaling fietsen we Titovo Uzice in. Iedereen hier vindt dat de naam van de stad zo snel mogelijk moet worden omgedoopt in Uzice. Tito wordt gezien als de oorzaak van de mislukte integratie en uiteindelijk van de ellende van het afgelopen decennium. Dat is wel erg makkelijk, vinden wij. Tito's beleid, waarin de verschillende Slavische volken en culturen min of meer gedwongen moesten integreren in de Joegoslavische federatie, is weliswaar mislukt, maar niet de oorzaak van wat mensen elkaar aangedaan hebben. Nationalistische politieke krachten in met name Servië en Kroatië zijn grotendeels verantwoordelijk voor de etnische oorlog die hier nog maar zo kort geleden heeft gewoed. Maar dat zal wel een visie zijn die alleen door buitenstaanders gedeeld wordt en niet door betrokkenen zelf.
Uzice is een oude, verwaarloosde stad waarin duizenden kleine autootjes rondrijden van de merken Zastava, Yugo en Lada. Na een terrasje met koffie en thee pakken we de fiets en even later rijden we door een mooie kloof met links en rechts oprijzende bergen. We passeren een geëscorteerde groep fietsers, genieten voor de tweede keer vandaag van een terrasje en vinden later een mooi kampeerplekje. Rustig vooral, want het ligt strak naast een orthodoxe begraafplaats. Het is 9.00 uur. We drinken een kop koffie en thee in Kragujevac. Verderop zitten twee mannen al volop aan de halve liters bier. Ze adviseren ons de 'auto-put' te nemen naar Svetozarevo. De auto-put, dat is de snelweg. Ja, neem er nog een. We zoeken onze eigen weg, dat valt niet altijd mee. De borden met de aanduiding Svetozarevo zijn ineens verdwenen, toch geen klein dorp. Wel zien we steeds aanduidingen met de plaatsnaam Jagodina, een plaats die op onze kaart helemaal niet voor lijkt te komen. Wanneer we Kragujevac definitief verlaten worden we vergezeld door Ilja, een sportieve Serviër van 46 jaar op een mountainbike. Hij vertelt ons dat de plaatsnaam Svetozarevo de afgelopen jaren gewijzigd is in Jagodina. Aha, dat verklaart onze zoekpartij. In rommelig Duits vertelt hij van alles over zijn familie en vrienden. We moeten mee met hem mee, vindt hij. In Sabanta grist hij links en rechts appels van de bomen en deelt ze aan ons uit.
Een half uur later zitten we bij
vriend Voikin en de familie in een datsja (vakantiehuisje). Het is zaterdag
en dat wordt gevierd met raki, bier, wijn en heerlijk eten. Het is ontzettend
gezellig. We krijgen een eigen datsja toegewezen voor de nacht en zijn
voor de tweede keer in drie dagen stomverbaasd over alle gastvrijheid
en vriendelijkheid. De Serviërs waren toch de boze vijand? De volgende ochtend worden we nogmaals verwend
door de moeder van Voikin. Met een ontbijt van zelfgemaakte aardbeiencompôte,
kaas, gebakken eieren met spek, tomaat, komkommer, brood, koffie en
thee stappen we op de fiets.
Karin maakt een vliegende koprol, wanneer haar voortas de hoge berm raakt. Met een paar prachtige blauwe plekken komen we aan in Panjevac, waar inteelt de standaard lijkt te zijn. Een paar kilometer verder nemen we genoegen met een stuk bermgras als overnachtingsplekje, we hebben niet veel keus want het wordt al bijna donker. Het gebrek aan toerisme in Servië wordt
pijnlijk duidelijk bij de grotten van Rsavska Pecina. Niemand spreekt
er Engels, Frans of Duits. Zelfs de folders zijn alleen in het Cyrillische
schrift. De inefficiëntie is nog ouderwets Oostbloks: zes medewerkers
voor negen klanten. Elke taak kent een eigen functionaris. Maar de fleurige
grotten zijn als altijd betoverend.
De watervallen zijn, zonder bordjes, niet te vinden, het motel gelukkig wel. We maken er onze laatste grote flappen dinars op en eten onze buikjes vol aan de forel die ter plekke vers gevangen wordt. Op onze voorlaatste dag in Servië komen
we aan in Boljevac. Bij gebrek aan overnachtingsplekken kloppen we eerst
bij het politiebureau aan om ons te melden. Daarna gaan we naar de plaatselijke
kerk. De priester weifelt aanvankelijk, maar staat ons na overleg met
zijn collega, priester nummer twee, toe dat we onze tent naast de kerk
op het grasveld zetten. Douchen mogen we in de pastorie. Wanneer we
ons potje koken wordt door de dochter van de priester een bakje tomaten
gebracht en twee plakken cake als toetje. De enige vijand die we gezien en gesproken hebben, is de zoon van de tankbediende gisteren. Zijn t-shirt met foto van Mladic en het opschrift "Servische held" ontlokte mij de woorden: "maffia" terwijl ik op de foto wees. De jongen schudde van nee, ik zei nogmaals maffia en daar bleef het bij. We waren het niet eens, maar hebben elkaar netjes het leven gelaten.
|