|
Oostenrijk Vette koorts op de grote klokkenluider Het is vrijdag 28 juni 2002. Na onze laatste
nacht in Duitsland worden we wakker door en in de stromende regen met
bijbehorend onweer. Normaliter wachten we dan een paar uur of desnoods
een dag tot het droog is, vandaag willen we allebei verder. In de bescherming
van de buitentent pakken we zoveel mogelijk de spullen droog in. De
tent zelf gaat natuurlijk zeiknat in de tas, zelf zijn we ook niet fris
meer wanneer we op de fiets stappen.
Als extra bonus laat hij ons het drooghok zien: er staat een grote verwarmingsketel en het is er bloedheet. We mogen er onze natte spullen ophangen, die binnen een half uur droog zijn. Het toiletgebouw is het meest luxe dat we ooit gezien hebben: verwarmd, pulserende douches, whirlpool, baden, ruim van opzet, planten. Een uur na aankomst voelen we ons als herboren. Intussen wordt de tent massaal aangevallen door grote bruine naaktslakken die een glinsterend slijmspoor achterlaten op de tent, op het grondzeil, op de tassen, op de fietsen, op alles. Bah. Het is koud als we de volgende morgen op de fiets stappen om richting Fusch te gaan. Er hangt nog veel bewolking, maar het is droog! Karin voelt haar maandelijkse ongenoegen naderen en is niet vooruit te branden. Na 25 kilometer zitten we in Kitzbühel en zoeken we een camping. Die blijkt er niet te zijn of zich voor ons verstopt te hebben. Even later zitten we noodgedwongen in de klim van de Thurnpass en vanaf hier gaat het beter met Karin. De pas is niet steil, op de laatste slingerende kilometers na. De afdaling doet de voorbije ellende voorgoed vergeten door de geweldige uitzichten op de sneeuwhellingen van de Tiroler Alpen. Een paar uur later staan we op de camping aan de voet van de Grossglockner in het plaatsje Fusch. Met toch nog ruim 90 kilometer op de teller hebben we een flinke borrel verdiend. Het moet nog acht uur worden, wanneer we al in dromenland zijn.
Dan volgen drie dagen verplichte rust. Vanaf de eerste rustdag ben ik namelijk ziek: koorts, spierpijn en hoofdpijn. Zeker een virusje opgepikt in de regen en kou. We doen het lekker rustig aan, slapen veel, zitten in het zonnetje, knippen elkaars haar en fotograferen stiekem de geheime prototypes van Mercedes die in de lange afdaling van de Grossglockner remmentesten doen. Achter het toiletgebouw van de camping worden ze 's avonds heimelijk naar achteren gereden en snel met een autohoes bedekt. Een wandeling door Fusch brengt ons bij de plaatselijke begraafplaats waar we getroffen worden door de spreuk op de zerk van een jonge bergbeklimmer: Leben ist das Een boodschap die ons beiden zeer aanspreekt en het motto van onze reis zou kunnen zijn. Na drie dagen uitzieken voel ik me op de vierde
dag goed. Ik ben uitgerust en de koorts is verdwenen. Het sein om de
spullen in te pakken voor waarschijnlijk de zwaarste etappe van de reis.
We starten op een hoogte van ruim 700 meter.
Na Fusch stijgt het aanvankelijk licht, maar dat duurt niet lang. Binnen
enkele kilometers zitten we op ons lichtste verzet, terwijl het zweet
van onze gezichten druipt. Het is gelijk al 12%. In Ferleiten, na 7
kilometer, begint voor het gemotoriseerde verkeer de tolweg, fietsers
mogen gratis door maar die moeten dan ook fietsen. Zou wat zijn als
je ook nog moest betalen. De brede weg loopt hier lange stukken rechtdoor,
wat de steile klim mentaal nog zwaarder maakt. Dan komen er gelukkig
weer bochten; een bordje vertelt ons dat het de komende 18 kilometer
nog 12% zal zijn. We doen het rustig aan (hebben trouwens niet veel
keus) maar het is desondanks zwaar. Sommige (Duitse) automobilisten
trachten ons van de weg te rijden, maar van de meeste krijgen we veelal
een opgestoken duim, een bus bejaarden zit zelfs enthousiast te applaudisseren.
We hebben te weinig energie om nog echt enthousiast te zijn, maken een paar foto's en duiken naar beneden. Op de camping in Heiligenblut is Karin helemaal leeg, en voel ik me te ziek om zelfs te eten. We nemen wat bouillon en nemen mijn temperatuur op: 39,5. Niet goed. De volgende dag lijkt het of er niets gebeurd is. We voelen ons allebei goed en zijn volledig hersteld. Onze conditie moet wel heel goed zijn, maar we nemen voor de zekerheid toch een rustdag. Na deze rustdag fietsen we alsof we na drie maanden losgelaten worden uit eenzame opsluiting. Met tegenwind en 112 kilometer op de teller arriveren we in de buurt van Weissenstein. We vinden een leuk kampeerplekje naaste een stuw in de rivier de Drau, die we grotendeels gevolgd hebben vandaag. De klap van de zware klimdag naar de
Grossglockner komt de volgende dag pas. We worden moe wakker, met pijn
en een hoofd vol watten. Het mooie weer maakt veel goed. Vandaag staat
de grens met Slovenië op de agenda, maar ervoor ligt een hindernis
van formaat: de Würzenpas. Op de kaart een pas met een dubbele
pijl, dus dat wordt rond de 15%, denken we dan nog. Na de afslag begint
de weg langzaam te klimmen, tot we aan de rechterkant een verkeersbord
ontwaren, dat waarschijnlijk een foutje bevat: er staat 18% op 6 kilometer,
dat kan niet. We fietsen verder en vragen ons af wat Reichswasserstat
nu eigenlijk bedoelde met dit bord. Enige bochten verderop wordt het
wat steiler, nog een bocht verder kijken we met afgrijzen ineens tegen
een muur op die recht de hemel in lijkt te rijzen. Slechts personenauto's
zijn hier toegestaan, er staan overal waarschuwingsborden en naast de
weg is een grindbak voor degenen met slechte remmen.
Zelf kan ik het monster nog maar net
overleven door slingerend en staand op de pedalen m'n fiets af te ranselen.
Eenmaal boven kijken we aan tegen het bord van de Slowaakse grens. We
rijden naar de grenswacht en willen maar antwoord op één
vraag: "Hoe steil zijn de bergen in jouw land?"
|