Oostenrijk
van 28 juni tot 5 juli 2002

Vette koorts op de grote klokkenluider

Het is vrijdag 28 juni 2002. Na onze laatste nacht in Duitsland worden we wakker door en in de stromende regen met bijbehorend onweer. Normaliter wachten we dan een paar uur of desnoods een dag tot het droog is, vandaag willen we allebei verder. In de bescherming van de buitentent pakken we zoveel mogelijk de spullen droog in. De tent zelf gaat natuurlijk zeiknat in de tas, zelf zijn we ook niet fris meer wanneer we op de fiets stappen.
Het regent wanneer we wegrijden. Een uur later is het nog niet droog. Twee uur later komt het nog steeds met bakken uit de hemel. Het lijkt erop dat de hittegolf definitief verdreven is uit Europa. We moeten maar snel verder richting Balkan en Midden-Oosten. Maar voorlopig zitten we gewoon in Oostenrijk, nog ver weg van muezzin en ramadan. We houden af en toe een korte pauze, bij voorkeur in een bushokje. Ook in de middag regent het nog altijd pijpenstelen. Met de regenjas aan en de capuchon over het hoofd lijkt het of we geen deel uitmaken van het leven. Met een onwezenlijk gevoel fietsen we in de regen, tijd en plaats bestaan niet, alleen de natte weg en het opspattende water van het overige verkeer. Er is zelfs geen plaats voor gedachten en overpeinzingen, er is slechts hier en nu, klimmen, dalen, concentratie, de fiets, regen.
Ondanks de nattigheid rijden we ruim 100 kilometer, voor we stoppen op een aardige terrassencamping bij het dorp Hopfgarten. De eigenaar van de camping is een stoere en sportieve dertiger. Samen met zijn vrouw heeft hij ons zien fietsen in de stromende regen. We worden verwend met een mooi rustig plekje voor de tent voor de helft van de prijs.

kamperen bij de sauna

Als extra bonus laat hij ons het drooghok zien: er staat een grote verwarmingsketel en het is er bloedheet. We mogen er onze natte spullen ophangen, die binnen een half uur droog zijn. Het toiletgebouw is het meest luxe dat we ooit gezien hebben: verwarmd, pulserende douches, whirlpool, baden, ruim van opzet, planten. Een uur na aankomst voelen we ons als herboren. Intussen wordt de tent massaal aangevallen door grote bruine naaktslakken die een glinsterend slijmspoor achterlaten op de tent, op het grondzeil, op de tassen, op de fietsen, op alles. Bah.

Het is koud als we de volgende morgen op de fiets stappen om richting Fusch te gaan. Er hangt nog veel bewolking, maar het is droog! Karin voelt haar maandelijkse ongenoegen naderen en is niet vooruit te branden. Na 25 kilometer zitten we in Kitzbühel en zoeken we een camping. Die blijkt er niet te zijn of zich voor ons verstopt te hebben. Even later zitten we noodgedwongen in de klim van de Thurnpass en vanaf hier gaat het beter met Karin. De pas is niet steil, op de laatste slingerende kilometers na. De afdaling doet de voorbije ellende voorgoed vergeten door de geweldige uitzichten op de sneeuwhellingen van de Tiroler Alpen. Een paar uur later staan we op de camping aan de voet van de Grossglockner in het plaatsje Fusch. Met toch nog ruim 90 kilometer op de teller hebben we een flinke borrel verdiend. Het moet nog acht uur worden, wanneer we al in dromenland zijn.

geheime mercedes

Dan volgen drie dagen verplichte rust. Vanaf de eerste rustdag ben ik namelijk ziek: koorts, spierpijn en hoofdpijn. Zeker een virusje opgepikt in de regen en kou. We doen het lekker rustig aan, slapen veel, zitten in het zonnetje, knippen elkaars haar en fotograferen stiekem de geheime prototypes van Mercedes die in de lange afdaling van de Grossglockner remmentesten doen. Achter het toiletgebouw van de camping worden ze 's avonds heimelijk naar achteren gereden en snel met een autohoes bedekt. Een wandeling door Fusch brengt ons bij de plaatselijke begraafplaats waar we getroffen worden door de spreuk op de zerk van een jonge bergbeklimmer:

Leben ist das
was passiert
wenn man eifrig
dabei ist
andere pläne
zu machen

Een boodschap die ons beiden zeer aanspreekt en het motto van onze reis zou kunnen zijn.

Na drie dagen uitzieken voel ik me op de vierde dag goed. Ik ben uitgerust en de koorts is verdwenen. Het sein om de spullen in te pakken voor waarschijnlijk de zwaarste etappe van de reis.
Onder een heerlijk zonnetje nemen we afscheid van de gezellige eigenaresse, die altijd in passende Tiroler kleding loopt, en beginnen aan de klim die op 2500 meter zal eindigen.

Grossglockner, hier komen we

We starten op een hoogte van ruim 700 meter. Na Fusch stijgt het aanvankelijk licht, maar dat duurt niet lang. Binnen enkele kilometers zitten we op ons lichtste verzet, terwijl het zweet van onze gezichten druipt. Het is gelijk al 12%. In Ferleiten, na 7 kilometer, begint voor het gemotoriseerde verkeer de tolweg, fietsers mogen gratis door maar die moeten dan ook fietsen. Zou wat zijn als je ook nog moest betalen. De brede weg loopt hier lange stukken rechtdoor, wat de steile klim mentaal nog zwaarder maakt. Dan komen er gelukkig weer bochten; een bordje vertelt ons dat het de komende 18 kilometer nog 12% zal zijn. We doen het rustig aan (hebben trouwens niet veel keus) maar het is desondanks zwaar. Sommige (Duitse) automobilisten trachten ons van de weg te rijden, maar van de meeste krijgen we veelal een opgestoken duim, een bus bejaarden zit zelfs enthousiast te applaudisseren.
Mijn benen voelen niet best aan, er zit niet veel kracht in. Karin kan me met gemak bijhouden, mijn virusje is blijkbaar nog niet helemaal uitgewerkt. Hoe hoger we komen, des te mooier wordt het: we kijken uit op gletsjers en zijn omgeven door sneeuwhellingen. De wind neemt echter ook toe en is vlagerig. Halverwege de middag hebben we slechts 19 kilometer afgelegd en ik begin te harken. Karin gaat naast me fietsen en probeert me mentaal steun te geven.
"Je gaat het halen," zegt ze met overdadig veel vertrouwen.
"Nee hoor, ik val straks om," antwoord ik haar met een grimlach om de lippen. Maar ik geloof heilig in mijn voorspelling. Met de minuut gaat het nu slechter; mijn eetlust is volledig weg, de benen zijn bijna gevoelloos en m'n hoofd lijkt zich los te maken van de rest van mijn lichaam.
We komen voorbij de afslag naar de Edelweisspitze, fietsen met een grote lus langs de Fuschertörl en krijgen een korte afdaling. Wat we gedaald zijn zullen we weer moeten klimmen, om uiteindelijk op de top van de pas te komen. We komen twee andere fietsers met bepakking tegen in hun afdaling. We groeten elkaar alsof we al jarenlang de grootste vrienden zijn, dan gaat het weer verder. Mijn lijf is leeg, ik heb hoofdpijn en voel het bonken van de koorts, wanneer we door een korte tunnel gaan en de laatste hindernis op zien doemen: de Hochtor. Met een laatste inspanning fietsen we door de tunnel en bereiken de top.

Karin en Peter op de Hochtor

We hebben te weinig energie om nog echt enthousiast te zijn, maken een paar foto's en duiken naar beneden. Op de camping in Heiligenblut is Karin helemaal leeg, en voel ik me te ziek om zelfs te eten. We nemen wat bouillon en nemen mijn temperatuur op: 39,5. Niet goed.

De volgende dag lijkt het of er niets gebeurd is. We voelen ons allebei goed en zijn volledig hersteld. Onze conditie moet wel heel goed zijn, maar we nemen voor de zekerheid toch een rustdag.

Na deze rustdag fietsen we alsof we na drie maanden losgelaten worden uit eenzame opsluiting. Met tegenwind en 112 kilometer op de teller arriveren we in de buurt van Weissenstein. We vinden een leuk kampeerplekje naaste een stuw in de rivier de Drau, die we grotendeels gevolgd hebben vandaag.

De klap van de zware klimdag naar de Grossglockner komt de volgende dag pas. We worden moe wakker, met pijn en een hoofd vol watten. Het mooie weer maakt veel goed. Vandaag staat de grens met Slovenië op de agenda, maar ervoor ligt een hindernis van formaat: de Würzenpas. Op de kaart een pas met een dubbele pijl, dus dat wordt rond de 15%, denken we dan nog. Na de afslag begint de weg langzaam te klimmen, tot we aan de rechterkant een verkeersbord ontwaren, dat waarschijnlijk een foutje bevat: er staat 18% op 6 kilometer, dat kan niet. We fietsen verder en vragen ons af wat Reichswasserstat nu eigenlijk bedoelde met dit bord. Enige bochten verderop wordt het wat steiler, nog een bocht verder kijken we met afgrijzen ineens tegen een muur op die recht de hemel in lijkt te rijzen. Slechts personenauto's zijn hier toegestaan, er staan overal waarschuwingsborden en naast de weg is een grindbak voor degenen met slechte remmen.
Een kilometer lang gaat het met 18% omhoog, Karin geeft het na enige tijd op en begint aan een moeizame wandeling.

Karinop de Wurzenpas 18%

Zelf kan ik het monster nog maar net overleven door slingerend en staand op de pedalen m'n fiets af te ranselen. Eenmaal boven kijken we aan tegen het bord van de Slowaakse grens. We rijden naar de grenswacht en willen maar antwoord op één vraag: "Hoe steil zijn de bergen in jouw land?"