Een barse agent,
armoede in Europa en
vreemde wonderrotsen

bord Bulgarije

Op woensdag 7 augustus 2002 komen we bij de grens van Bulgarije. Bij de Servische grenspost worden we gewaarschuwd dat kamperen in Bulgarije niet veilig zal zijn. Dat verhaal kennen we: bij elke grenspost worden we voor het volgende land gewaarschuwd. We vertellen de beambte dat zijn Kroatische collega ons een week geleden voor Servië had gewaarschuwd. "Ja logisch," zegt hij, "iedereen ziet ons als slachters en terroristen."
De angst voor de buren zit er goed in, in Europa. Aan de Bulgaarse kant van de grens staat een ontsmettingsbak over de gehele breedte van de weg, ongetwijfeld wegens een of andere besmettelijke dierenziekte. We fietsen ons 13e land binnen.
Het wordt snel duidelijk dat Bulgarije nog een slag armer is dan de Balkanlanden. Het communisme heeft plaatsgemaakt voor een vacuüm. Grote landbouwschuren en agrarische complexen (kolchozen? sowchozen?) liggen er verlaten bij.

kolchoz

De desolate kleine dorpjes waar we doorheen fietsen zien er vervallen en armoedig uit. Oude mensen, krom van jarenlange noeste arbeid, troepen ganzen en sjokkende ezeltjes kijken ons gekweld aan. Het belangrijkste vervoermiddel is de ezelskar. De eerste grotere plaats, Rakovica, blijkt geen enkele voorziening te hebben. Zonder Bulgaarse Lev's fietsen we door de stromende regen tot we bij een moestuin een plekje voor de nacht vinden. Tijdens het koken raakt de brander verstopt en eten we niet geheel gare pasta. Een troosteloos begin.

dorp

Met twee koekjes als ontbijt en geen koffie en thee wegens de verstopte brander, fietsen we het laatste stukje naar ons eerste doel in Bulgarije: Belogradcik. Volgens een klein reisgidsje is hier zowel een camping als een natuurwonder. Halverwege passeren we dorpjes die zo uit de middeleeuwen lijken weggerukt. Onvoorstelbaar dat dit Europa is. Net voor we Belogradcik binnenkomen zien we in een veld drie zwarte ooievaars. Zouden zij verantwoordelijk zijn voor de zwarte babies, en de witte ooievaars voor blanke babies?

In de zoveelste regenbui arriveren we in Belogradcik; tegen de zwaar bewolkte lucht tekenen zich reeds de grote rode rotsformaties af van het plaatselijke natuurwonder. We kunnen eindelijk pinnen bij een bankomat, met onze eigen europas nog wel. Even later zijn we gesetteld op de "camping": drie vervallen stenen huisjes, een grasveldje voor maximaal twee kleine tentjes en een vervallen receptiegebouw. We zijn er de enigen. Douchen moet bij de receptie: met de voeten wijd sta ik onder de lauwwarme straal, onderwijl oppassend niet in het gat van het hurktoilet te glijden en voor eeuwig in de Bulgaarse grond te verdwijnen.
Volgens de douanebeambte moeten we ons binnen 48 uur na aankomst melden bij de politie en een wit papiertje laten aftekenen. Als je je daar niet aan houdt, kun je een boete verwachten tussen de 200 en 2000 Lev (d.i. 100 tot 1000 euro) wanneer je het land verlaat. In Servië moesten we ons officieel in elke overnachtingsplaats melden, maar de helft van de agenten daar vond het flauwekul of wist er niets van. We gaan het in dit nieuwe land maar gewoon doen, je weet nooit.
Het is heerlijk weer geworden. We wandelen naar de toeristeninformatie en melden ons vervolgens bij de politie. Het bureau is gevestigd in een oud gebouw, met verveloze muren. Binnen is het niet veel beter; een schilder en stucadoor zouden er hun vingers bij aflikken. De dienstdoende agent is een klein dik opgewonden en arrogant mannetje. Hij begrijpt niet wat we komen doen. Als we uitleggen dat we hier zijn in opdracht van zijn grenscollega, kijkt hij ons bevreemd aan en zegt ons te verdwijnen. Meld je maar bij de camping, krijgen we te horen. Bang voor een boete bij de volgende grenspost, houden we nog even aan. De agent begint rood aan te lopen en besluit met een verwilderde blik in de ogen zijn superieuren te bellen voor advies. We wachten ruim een half uur in het halletje van het bureau. De agent komt eindelijk terug en meldt ons op barse toon dat we ons maar bij de camping moeten vervoegen. Terug naar de camping. De receptioniste spreekt nauwelijks Engels en begrijpt ook niets van het witte papiertje. Op ons vriendelijk doch dwingend verzoek tekent ze het desondanks. Hopelijk zijn we hiermee gevrijwaard van hoge en onbegrijpelijke boetes. Zuchtend lopen we terug naar het dorp en pakken op een terras een welverdiend drankje. Fietsen is soms vermoeiend, maar bureaucratie is nog veel vermoeiender.
Bulgarije blijkt supergoedkoop. Een ons onbekend jong kereltje dat opvallend goed Engels spreekt brengt ons naar een groot restaurant annex hotel, dat boven op een heuvel is gebouwd. Vanaf het terras is er werkelijk een fantastisch uitzicht op de grillige rotsen van het rode natuurwonder. Voor tien euro hebben we samen een heerlijke maaltijd met een fles Bulgaarse rode wijn. We beginnen ons thuis te voelen.

Bulgarije raakt ons in het hart. Ondanks de schoonheid van het land zijn de mensen afwachtend en murw en hebben geen enkele toekomstverwachting. Ook hier was de val van het communisme in 1989 het startsein voor een nieuw leven, met hoge verwachtingen ten aanzien van de democratie en de voorzichtig ontwikkelende markteconomie. Het communisme maakte het leven grauw, eenvormig en doods, ondanks al zijn goede bedoelingen. Het is nu dertien jaar later, er lijkt niet veel verbeterd. De landbouwproduktie is gestagneerd; de oorspronkelijke landeigenaren (aan wie het land na de val is teruggegeven) zijn dood, te oud of leven in de stad en speculeren nu met hun grond. Maar niemand heeft geld om het land te kopen en investeringen te doen. Sinds 1989 is er vrijwel geen onderhoud meer gepleegd aan gebouwen en straten. De infrastructuur is onvoldoende. Er zijn weinig buitenlandse investeerders omdat lagelonenlanden nóg goedkoper zijn. Het communisme heeft het initiatiefvermogen van mensen voor lange tijd gedood. En dat terwijl initiatief en ondernemingskracht juist nu hard nodig zijn.
Daar komt bij dat de oorlog in de Balkan het verkeer en toerisme in de hele regio heeft lamgelegd. Zelfs de met busjes naar het thuisland reizende Turken uit Nederland en Duitsland laten het afweten en reizen via Italië en Griekenland naar Turkije en laten de Balkan en Bulgarije links liggen.

Belogradchik

Vandaag is het feest, want we gaan naar het grootste natuurwonder van Bulgarije. Voor een euro per persoon lopen we het nationale park in, langs het fort en vergapen ons aan de honderden vreemde rotsformaties die naar de hemel rijzen. Elke rots is anders, maar altijd rood en grillig van vorm. Met gemak herken je paddestoelen, een beer of een adelaar in de bizarre rotsformaties. We wandelen kilometers en schieten veel te veel foto's. Het gebied is groot genoeg om er drie dagen doorheen te dwalen. Er zijn vrijwel geen andere toeristen en ook dat is bizar. Zo'n mooi natuurfenomeen waar het midden in de Europese zomervakantie zo stil is, terwijl de saaie Spaanse stranden ongetwijfeld miljoenen mensen trekken.

Die avond laten we ons het goede leven nogmaals smaken: op de terrassen in het centrum van Belogradcik is het een levendige boel. De wereldreis begint vorm te krijgen: onbegrijpelijke talen, vreemde culturen, natuurwonderen, bureaucratische conflicten, onverwachte ontmoetingen, betaalbare prijzen, wat willen we nog meer?