|
Oorlog, braaksel en diarree;
Het is vandaag maandag 15 juli 2002. Vanuit de regen van Kroatië fietsen we zo de zonnige warmte van Bosnië in. Dat is gek, zo dicht bij elkaar. Fleurige akkers, moskeeën, kleine kiosken, winkeltjes en gerimpelde omaatjes heten ons welkom in dit verscheurde land. In de eerste kilometers krijgen we het gevoel dat het wel goed zit hier, de dorpjes doen welvarend aan: er worden overal nieuwe huizen en moskeeën gebouwd, we zien geen armoede of ruïnes. Dat verandert wanneer we Bihac in fietsen. Alles is kapot: aan flarden geschoten gebouwen, huizen met kogelgaten, kerken zonder torens, militaire voertuigen met de opschriften SFOR en UN, een postkantoor vol scheuren waar we geld wisselen. Ongelooflijk dat dit Europa is, 2002.
Na een lange beklimming stoppen we bij "Kod
Ape", een sjofele bistro. Achter op het erf kunnen we de tent zetten;
op het terras praten we met een stel vrachtwagenchauffeurs. Samen met
de gastvrije eigenaars van de bistro eten we een heerlijke maaltijd
uit de moestuin en verwonderen ons over de recente ellende in dit deel
van de wereld. Ze vertellen ons dat ze tijdens de oorlog alles wat ze
in Bihac hadden zijn kwijtgeraakt en dat de Servische Bosniërs
die hier woonden allen zijn weggevlucht of vermoord. Het regeringsbeleid
zegt dat iedereen in zijn eigen huis kan terugkeren, maar slechts weinigen
doen dit. De van oorsprong Servische en Kroatische Bosniërs zijn
apart van elkaar gaan wonen en dat zal niet snel veranderen. De armoede
is enorm, iedereen heeft een moestuin om te overleven. De werkloosheid
loopt op tot 60%. Leven is geworden tot overleven. Bosnië is dan
ook het grootste slachtoffer van de Balkanoorlog: dit deel van het oude
Jogeslavië is jaren terug gevallen in zijn ontwikkeling. Infrastructuur
ontbreekt, op veel plekken is het een gigantische bende. Buiten de kapotte
huizen, fabrieken en wegen zie je overal troep liggen: huisvuil, bierflessen,
fornuizen, huisraad en autowrakken.
De volgende ochtend blijken we die gevonden
te hebben: we worden wakker in onze eigen slaapzak. Met een beetje te
veel tegenwind maar in een heerlijke temperatuur fietsen we via Vrtoce
en Bosanski Petrovac naar Kljuc. Ja, spreek het maar eens lekker uit,
een goede gymnastiekoefening voor de tong. Overal om ons heen is het
een troep: de Bosniërs gooien hun afval het liefst naast de weg
en vervuilen zo hun eigen land. We fietsen langs een tentenkamp van
gevluchte Kosovo-Albanezen, die hier al sinds 1999 op betere tijden
wachten.
Met een slaperig hoofd en de bidons vol rivierwater vertrekken we de volgende morgen. Tien kilometer voorbij Kljuc rijden we de 'Republica Srpska' binnen: de Servische enclave binnen Bosnië. De plaatsnaamborden zijn hier in het cyrillische schrift en dus niet meer te lezen voor ons. De huizen zien er beter uit; geen kogelgaten, daken op de huizen, geen ruïnes. Na 55 kilometer zijn we de enclave weer uit en houden we het voor gezien. Karin valt bijna van de fiets van ellende en laat regelmatig een verscheurende hoestbui horen. We kunnen echter geen plekje vinden om te kamperen en besluiten dan maar gebruik te maken van het plaatselijk motel in Plivsko-Jezero. Het wordt veruit de duurste overnachting tot nu toe: 74 euro. Op het terras praten we met een Nederlandse afvaardiging van de SFOR. De groep is verantwoordelijk voor de orde in het gebied rond Bugojno en ruimt mortieren en granaten op die gevonden worden. Ze zijn erg verrast ons te zien: we zijn de eerste Nederlandse toeristen in Bosnië, denken ze. Ze waarschuwen ons voor mijnen bij het zoeken van kampeerplekken. Onze twijfels over een bezoek aan Srebrenica nemen ze weg: we zullen er gewoon gastvrij ontvangen worden en niet het slachtoffer worden van een wraakzuchtige Moslimgemeenschap.
Een nacht in een hotel is geen garantie voor beterschap: Karin is natuurlijk nog niet hersteld en hoest er gezellig op los. Tijdens het ontbijt word ik misselijk; na een half broodje trek ik een sprintje naar het toilet. Het gaat niet helemaal goed met ons; naar nu blijkt is het water van de rivier de Sana voor ons niet drinkbaar. Omdat het hotel te duur is zetten we de tent verderop aan het meer, tussen riet en bosjes, grotendeels uit het zicht. De halve dag slapen we, afwisselend hoestend en overgevend. Om het allemaal nog wat erger te maken begint het aan het eind van de ochtend te regenen terwijl het er eerst zo veelbelovend uitzag. En aan de wereldradio hebben we hier ook niet veel: tijdens het voorlezen van de Europese weerberichten wordt de Balkan stelselmatig overgeslagen. Erwin, bedankt. Na twee dagen rust voelen we ons iets beter,
al heb ik nog altijd diarree en krampen in mijn ingewanden. We gaan
proberen in twee dagen naar Sarajevo te fietsen en daar wat meer rust
te nemen. Dat is per slot van rekening leuker in een mooie stad dan
op een plek waar niets is. Maar eerst er naar toe. Dat blijkt, vooral
voor mij, niet mee te vallen. Mijn benen zijn van elastiek en ik kan
Karin nauwelijks volgen. De rollen zijn voor het eerst omgedraaid. Na
ruim 80 kilometer vallen we neer in een dorp bij Vitez, waar de plaatselijke
bevolking ons helpt met het regelen van een kampeerplekje op een grasveld.
Die nacht moet Karin er twee keer en ik er vier keer uit en we voelen
ons diep ongelukkig.
De Moslimfamilie heeft iets te vieren en nodigt
ons uit voor een drankje en een hapje. We nemen alleen een kopje thee
aan, gezien de staat van onze ingewanden. Het is heerlijk weer en in
een rustig tempo fietsen we verder. Vlak voor Visoko gaat bij mij het
licht uit; de laatste restjes kracht zijn verdwenen en ik heb honger.
Karin gaat op zoek naar bananen terwijl ik mijn zere lijf te ruste leg
in de berm. Een winkelierster komt ongerust informeren of alles goed
is en brengt daarna twee kopjes thee. We verblijven vijf dagen in Sarajevo.
Karin is na twee dagen hersteld van hoestbuien en diarree. Bij mij gaat
het herstel wat langzamer. Nog vier dagen diarree en braken maken me
bijna doorzichtig, daarna kan ik het eten eindelijk binnenhouden. Nu
wordt het tijd om aan te sterken: pizza, taartjes, salades, brood, gebakjes.
Eten!
|