|
De Mozesberg
In een melancholieke stemming rijden we van de Rode Zee weg, de Sinaï-woestijn in. Een asfaltweg voert door een breed dal en dankzij een laag stijgingspercentage maken we na twee weken rust moeiteloos onze hoogtemeters. Grootste tegenstander van vandaag blijkt de wind, die al na vijfentwintig kilometer fietsen flink aanwakkert en ons terug naar Dahab tracht te blazen.
Onze tweede fietsdag door de woestijnbergen is er niet één om over naar huis te schrijven. Een snoeiharde tegenwind op een langzaam klimmende weg over slecht asfalt brengt ons daggemiddelde onder de tien kilometer per uur. Na vier uur vechten zijn we het allebei spuugzat. In een oud halfafgebroken militair kamp zetten we de tent op een beschut plekje, maken weer een kampvuur en duiken vroeg het bed in. Met iets minder tegenwind, gastvrije militairen bij de zoveelste checkpoint en de ons altijd vriendelijk toezwaaiende en toeterende automobilisten, bereiken we aan het eind van de volgende ochtend St. Catherine. Op 1.500 meter hoogte in de bergen ligt dit oude bedoeïenendorp aan de voet van de Mount Sinaï, de berg waar Mozes ruim twee eeuwen geleden de tien geboden van God kreeg opgedragen. De wind maakt het koud op deze hoogte en de winterkleding moet uit de tassen. We zetten onze tent op in het Fox Desert Camp en bereiden ons voor op de nachtelijke wandeling naar de Mozesberg om daar de zon te zien opkomen. Om een of andere reden een must voor alle reizigers hier, dus we doen maar mee. Als de wekker ons om twee uur 's nachts uit
onze dromen haalt, is de tent wit van het ijs en het water in de bidons
bevroren. Met vier lagen kleren, handschoenen aan en muts op lopen we
naar het klooster vanwaar het pad begint waar Mozes ooit gelopen moet
hebben. Er is een heldere sterrenhemel zonder maan, voorbij het klooster
wordt het aardedonker. We zijn niet de enige liefhebbers van een mooie
zonsopgang. Voor ons loopt een grote groep Zuid-Koreanen met hetzelfde
plan. Als we eenmaal aan de lange klim beginnen, zien we tegen de hellingen
voor en boven ons tientallen kleine lichtjes bewegen. Het is een dwaze
vertoning, zoveel mensen die midden in de nacht en vrieskou een berg
beklimmen. Steeds vaker komen we groepjes bedoeïenen tegen die
kamelen in de aanbieding hebben. Zij lopen zonder licht en het is onbegrijpelijk
dat niemand zijn enkels verzwikt of breekt. Ook doemen er af en toe
houten en stenen eettentjes uit het duister op, met veel te dure koffie
en snacks. Het geheel heeft iets surrealistisch, het lijkt net een vreemde
droom. De kou zorgt er echter voor dat we weten dat we wakker zijn.
Na een koffie- en chocopauze gaan we de laatste kilometers in. Deze
zijn veel steiler en bestaan uit trappen die van rotsen en stenen zijn
gestapeld. Het moet een heidens werk zijn geweest om dit hier voor elkaar
te krijgen. Ons tempo wordt een stuk lager, met name omdat het af en
toe filelopen is. Wij toeristen zijn niet wijs!
Vrolijk zwierend met een lichte wind in de
rug en vals plat de goede kant op slingeren we door een geërodeerde
wadi (droge rivierbedding) over redelijk asfalt richting de Golf van
Suez. We passeren kleine en grotere oasedorpjes waar het leven al eeuwen
stil lijkt te staan, ware het niet dat de bedoeïenen een deel van
hun kamelen voor jeeps hebben verruild. Het is fascinerend om door een
oerwoud van palmbomen te rijden, aangestaard door kinderen en volwassenen
die gewoonlijk de toeristen in snelle bussen voorbij zien razen. Op
een lang recht stuk weg verderop dromen we weg in het mooie woestijnlandschap,
als een pick-up ons dringend tot stoppen maant. Ik knijp in mijn remmen,
waardoor Karin, die achter me fietst, me niet meer kan ontwijken. Ze
raakt mijn achtertassen, is haar balans kwijt en schiet in volle vaart
de zanderige berm in. Hortend en stotend komt ze tot stilstand, haar
ogen groot van de schrik. Vijf Egyptenaren rollen schaterlachend uit
de auto vanwege de capriolen die zij hebben veroorzaakt. Gelukkig heeft
Karin zich niet bezeerd. De mannen maken sliepuit gebaren en hebben
enorme schik, ook als ik ze quasi-boos de schuld geef. Onze stop diende
uiteindelijk niets anders dan om hun nieuwsgierigheid te bevredigen:
wie zijn jullie, waar gaan jullie heen, waarom de fiets, zijn jullie
getrouwd, enzovoorts. Als beloning krijgen we vier grote sinaasappels
toegestopt. De laatste twee dagen van onze trip door
de Sinaï worden getekend door de ongemeen felle wind, die we de
eerste dag vol tegen hebben en de tweede dag hard mee. Dorpen op onze
kaart blijken soms niet te bestaan, waardoor we onze watervoorraad bij
luidruchtig dominoënde ambulancemedewerkers moeten bijvullen. Ze
zitten de hele dag tussen de vliegen op hun post, wachtend op een telefoontje
om hulp.
|